Miesjes 1 t/m 25

1) Vogelvlucht

Als je al vele verjaardagen hebt gevierd, denk je dat je alles wel een keer hebt meegemaakt in je leven. Toch kan er op je "oude" dag nog iets gebeuren wat je nog nooit eerder hebt ervaren. En ik vind dat ik toch al héél wat heb meegemaakt:  

Ik leer Mees kennen, die ook een zeilboot heeft en zorg dat hij de andere helft van mijn trouwboekje wordt. Wij gaan wonen in een woonark die later tot drukkerij wordt getransformeerd. Er komt een Duitse Herderpup bij ons wonen en het konijn verblijdt ons met zes babykonijntjes. Ik verblijd Mees met twee beeldschone dochters en verhuis, zonder hond en konijnen, met het hele gezin naar Frankrijk, om daar met broer/zwager en schoonzus een eigen camping te bestieren.
Daar geeft onze geit twee gezonde lammetjes en enkele maanden later herhaalt zich deze gebeurtenis. De poes krijgt zes kittens en tijdens de bevalling schreeuwt zij als ik maar even uit haar gezichtsveld ben. Ik verblijd Mees weer, dit keer met een prachtige zoon en alsof dat nog niet genoeg is, komt er een Schotse Colliepup bij ons wonen.
 
Een paar jaar later gaan wij met het hele gezin en hond terug naar Nederland en daar verandert ons huis, met het groter worden van de kinderen, in Jeugdcentrum: "Loop maar in en uit".
Mede doordat de kinderen allerhande diertjes mogen hebben, variërend van Russische Dwerghamster tot Labrador, wordt ons huis tevens "Klein Artis".
Onze liefde voor het water blijft aanwezig en we kopen achtereenvolgens een kajuitzeilboot, een sleepboot en een grotere sleepboot want ook onze kinderen worden steeds groter en de aan- en afvoer van vriendjes en vriendinnetjes is niet meer bij te houden.
 
Dan zijn we opeens weer een klein gezin: dochters de deur uit en zoon meer uit dan thuis.
De oude Collie wordt doodziek en we laten door de dierenarts een einde aan zijn lijden maken. Toch vind ik postzegels verzamelen niet zo een leuke hobby en we besluiten tot de aanschaf van niet één, maar twee Siberische Husky’s. We verkopen de sleepboot en denken dat buitenlandvakanties in sneeuw en zon het gemier in je woonomgeving kan doen vergeten.
Maar het weekend-weg verlangen blijft bestaan en we kopen een huisje in de Belgische Ardennen en nog wat later het aangrenzende stukje grond.
Ook zoon verlaat het huis, je ouders het leven en we besluiten ons permanent te vestigen in de Ardennen. Al vlug komen er geiten en schapen, die bewijzen dat het daar vruchtbare grond is: er worden met de regelmaat der klok lammetjes geboren. Ook de komst van twee dwerg-ezels zorgt voor uitbreiding van de veestapel.

Dan gebeurt er iets waar we totaal niet op hebben gerekend. We worden opa en oma van een kleinzoon. Een paar maanden later kunnen we het niet laten om nog een Schotse Collie pup aan te schaffen, die bij de reeds ouder geworden Husky’s nieuw leven in blaast. Tevens krijgen we te horen dat Mees met de VUT kan en wij zodoende zeven dagen per week met elkaar kunnen rondhuppelen i.p.v. vier dagen. De geboorte van een ezelsveulentje geeft ons het idee dat we nu alles wel in het leven hebben meegemaakt.
Maar de komst van een tweede en een derde kleinzoon, doet ons beseffen dat een mens nog heel wat mee kan maken op z'n "oude" dag. Ook een verhuizing naar Nederland, vanuit België, heeft er voor gezorgd dat ons leven in beweging blijft.

Om niet alles te vergeten, heb ik over veel van de bovenstaande gebeurtenissen een verhaaltje geschreven, die op deze site te lezen zijn.

2) Ongeduldig gedrag

Als je op het idee mocht komen om geiten en/of schapen uit een ander land te importeren, dien je goed te beseffen dat zoiets niet eenvoudig is. Er zijn n.l. Europese Wetgevingen die bepaald hebben dat geiten en schapen "Exotische Dieren" zijn, zoiets als tijgers en giraffen dus. Het vervoer moet aan bepaalde eisen voldoen en het dier moet een gezondheidsverklaring op zak hebben, waar je weken op moet wachten. Natuurlijk mogen de oormerken niet ontbreken en moeten reeds ingeslagen zijn. Door al deze regeltjes en wachttijden begonnen echtgenoot Mees en ik, begin oktober 2005, tekenen van ongeduldig gedrag te vertonen.

Nu hadden we eindelijk een huis in de Ardennen, een extra perceel grond en een geitenstal maar nog steeds geen geiten en schapen. En als je deze dieren wilt hebben op je weiland, wil je dat snel, en vooral nu! Daarom besloten wij om vast wat dwerggeiten aan te schaffen die zonder de bovengenoemde Europese regels ons weitje konden begeiten. In een plaatselijk huis-aan-huis blaadje lazen wij een advertentie waar dwerggeiten te koop aangeboden werden. Samen met dochter Vera en schoonzoon Peter werd een bezoek gebracht aan een fokster, waar al snel een keuze gemaakt werd. Na wat acrobatische vangkunsten, werden twee geiten in ons bestelautootje geladen. Niks geen gezondheidsverklaring of vervoersvoorschriften. Zelfs de oorbellen waren niet in de oren geslagen maar werden in een doosje overhandigd.

Het tweespan werd Jansie en Dolan genoemd, als "eerbetoon" aan twee buurvrouwen uit onze voormalige woonplaats. Zij waren zes en zeven maanden jong en zorgden ervoor dat Heer Iwan en Dame Kaya, onze Siberische Husky’s, veranderden van bejaarde, stoffige honden in vraatzuchtige wolven. Zij deden afschrikwekkende uitvallen naar de Belgische biefstukjes en jankten moord en brand als wij ons naar het geitenweitje begaven, wat natuurlijk voorzien was van een degelijke afrastering. Hoewel het in het begin onwaarschijnlijk leek, werd het onwaarschijnlijke bewaarheid: de Husky's wenden aan de geiten en de geiten aan hen. Wel zorgden de nieuwe beestjes er voor dat er weinig tijd voor ons overbleef, om andere dingen te doen.

Ten eerste vonden Jansie en Dolan de hanggeraniums, die aan de stal hingen, een uitzonderlijke lekkernij. Zodoende moesten die verhuizen, wilden zij hanggeraniums blijven. Daarna stond Dolan plotseling stoer te doen op het dak van de stal. Zij deed dat blijkbaar om van laaghangende dennentakken te snoepen. Dus werden deze subiet gekortwiekt want dakbedekking is niet zo goed bestand tegen geitenhoefjes. Dat bleek niet afdoende want even later stond ze er weer op. Zodoende voelde Mees zich genoodzaakt een barrière op te trekken langs de dakrand en waren de takken voor niets gekortwiekt. Ook kwam het een paar keer voor dat Jansie met haar koppie klem zat in het gaas, wat zij aangaf door luidkeels te staan mekkeren. De eerste keer werd zij door ons bevrijd en zeiden wij tot elkaar:
"Dat doet ze geen tweede keer meer."
Dat gebeurde toch nog enkele keren, totdat het arme schaap met die achterlijke gewoonte stopte en door had dat zij zich zelf kon bevrijden. Dat een geit er alles aan doet om iets eetbaars te vinden wat zich buiten haar omheinde weitje bevindt, werd ook door Jansie en Dolan bevestigd.
Het gras zal altijd groener zijn - én blijven - aan de andere kant van het hek.

3) Exotische zoogdieren

Tijgers, olifanten, leeuwen, giraffen.
Daar zal men het eerst aan denken bij het begrip "Exotische Dieren"

Bij dwerggeitjes of schapen zal men eerder denken aan Hollandse Boerderijdieren. Ik heb al verteld dat óók deze dieren onder de noemer "Exotische dieren" vallen. Om deze dieren te vervoeren naar hun nieuwe woonland moet men aan strenge eisen voldoen. De dieren dienen verschillende bloedonderzoeken te hebben ondergaan om uit te sluiten of zij geen loopneus, scheve oren of andere onzinnige afwijkingen vertonen. Ook krijgen zij oormerken ingeslagen waar Modehuis Dior koude rillingen van zou krijgen. Pas dan krijgen zij een gezondheidsverklaring uitgereikt, waar je minimaal vier weken op moet wachten. Ook is er een maximum reistijd ingesteld dat de dieren in het vervoermiddel mogen doorbrengen, die langs alle wanden gecapitonneerd dient te zijn. Verder moet de bodem van het vervoermiddel zijn voorzien van een 20 cm. dikke laag stro en in alle hoeken dienen zich zachte kussentjes te bevinden zodat de dieren zich op geen enkele manier kunnen verwonden of bezeren. Ons bestelautootje werd op die manier aangepast, nadat wij eind oktober 2005 het bericht ontvingen dat wij onze vier exotische dieren uit "Dierenpark Amersfoort" mochten ophalen, met hun gezondheidsverklaring op zak en de oormerken in de oren. Het vervoer van dit viertal verliep zonder problemen. Slechts één keer heeft er een schaap geblaat and the rest was silence.

Echtgenoot Mees kon de auto niet voor de stal parkeren omdat het toegangshek naar de wei, waar de stal staat, te smal is. Daarom droegen wij de nieuwelingen er naar toe. Bij het mini dwergbokje en -geitje was dat geen probleem, die nam ik voor mijn rekening. Maar Mees tilde zich bijna een hernia aan de Kameroenschapen. Die waren zwaarder dan een zak cement, die hij onderhand gewend was om te versjouwen. Wij twijfelden er niet aan, dat wij geen kat in de zak hadden gekocht! Volgens ons waren we opgescheept met twee drachtige schapen. "Twee halen, één betalen" is vaak een reclame boodschap bij de supermarkt. Maar "Dierenpark Amersfoort" bleef ook niet onbetuigd met die aanbieding. Eenmaal aangekomen in de stal schrokken de twee Waalse Belginnen, Jansie en Dolan, zich te pletter. Zij voelden zich aangetast in hun privacy en zagen de komst van die vier Hollanders als regelrechte huisvredebreuk. Gelukkig merkten zij dat het dieren van hun eigen soort waren en al vlug werd er vrede gesloten. Met voor- en achterpoten werd er in het begin gecommuniceerd maar na enige tijd waren ze alle zes twee-talig.

Toen er een nieuwe dag was aangebroken en Mees de staldeur opendeed, gingen de vier nieuwelingen al vlug hun nieuwe omgeving verkennen. Zij stoorden zich niet aan de regen, dat waren ze in Holland wel gewend. Het dwergbokje, Indy, en het dwerggeitje, Julia, liepen constant de Kameroenschapen, achterna die als Kira en Jet door het leven moesten. Dat gaf de kleintjes een vertrouwd gevoel omdat ze elkaar kenden uit "Dierenpark Amersfoort". De schapen werden wel een beetje moe van die achtervolgingswaanzin en hoopten dat die twee dwergjes vlug op eigen hoefjes zouden staan. Iedere keer dat de kleintjes als achterlichtjes aan de schapen vastgeplakt zaten, namen die rennend de hoeven in de hoop van die mormels verlost te zijn. Tevergeefs.

En de honden?
Waren de Siberische Husky’s, Kaya en Iwan, net gewend aan die lopende Waalse Biefstukjes, nu wisten ze helemaal niet meer waar ze moesten kijken. Jankend en piepend liepen ze langs "Hun Hek" en deden schijnaanvallen als één van de weidedieren te dicht in hun buurt kwam. Dat joeg Julia en Indy nog wel wat schrik aan maar Jet en Kira draaiden arrogant hun kont naar de honden en je hoorde ze denken: "Wat een luidruchtig span is dat".Maar zoals de honden gewend waren geraakt aan de Waalse Belginnen, ook op het nieuwe viertal raakten al gauw uitgekeken.
Exotische extase is meestal van korte duur.

4) Ezel in huis

Op de trouwdag van zoon Bas en zijn verloofde Anja gebeurde het. Bij het schieten van een fotosessie in "Dierenpark Amersfoort" van de pasgetrouwde jongelingen, kreeg echtgenoot Mees een dwerg-ezeltje vanéén dag oud in het vizier. Een pijl trof zijn hart en hij was op slag verliefd op het beestje. Nou had Mees altijd al iets met ezels, hij was tenslotte niet voor niets met mij getrouwd. Enige dagen later nam Mees contact op met "Dierenpark Amersfoort" en vroeg of zij ook dieren verkochten.
"Wat had U in gedachten, meneer?" was het laconieke antwoord.
Toen Mees uitlegde dat hij slechts geïnteresseerd was in dwerg-ezeltjes, werd daar bevestigend op geantwoord. Ze hadden twee veulens te koop die, nadat ze gespeend zouden zijn, hun moeders niet meer nodig zouden hebben. Onze vreugde was extra groot toen wij vernamen dat het een hengst en een merrie betrof.

Enkele dagen later brachten wij een bezoekje aan het dierenpark. Na het bewonderen van de veulens werd een koopovereenkomst gesloten en afgesproken dat de hengst, die Simba zou gaan heten, in november zijn mammie zou kunnen verlaten. De merrie kon in december naar de Ardennen verhuizen en zou Nala gaan heten.
Gelukkig kwam er bij ezels uitvoeren niet zoveel poespas aan te pas als bij de geiten en schapen, die uit het zelfde dierenpark kwamen. Ze hadden al een paspoort, waren gechipt en zij waren géén exotische dieren maar gewoon paard-achtigen. Slechts een gezondheidsverklaring was voldoende.
In november 2005 kon Mees Simba komen ophalen. Ons bestelautootje was nog niet ontdaan van de aanpassingen, die nodig waren geweest om de geiten en de schapen te vervoeren. Toen Mees halverwege was, belde hij mij om te vertellen dat alles goed ging. Hij liet Simba nog door de telefoon balken want als Mees tegen Simba ging kletsen, antwoordde hij met luid gebalk.

Aangekomen bij ons huis, reed Mees de auto vlak voor de garagedeur, zodat Simba direct vanuit de auto de garage in moest lopen. Hij deed dit braaf, liet zich lekker knuffelen en op z'n gemak stellen en ook het halster om doen vond hij prima.
Nu maar naar de stal om kennis te maken met de zes andere dieren. Bij het aandoen van het licht keken zij wat verstoord op, maar de schrik sloeg hun om het hart toen Simba werd binnengeleid. Zij staarden naar Simba, hij staarde naar hen en dacht:
Hé, wat gezellig, daar ga ik eens op af rennen. Maar in een ruimte van 3x4 meter valt niet veel te rennen, zodat "die-6" zich in paniek uit de hoeven maakten en alle vier de hoeken van de stal bezochten. Simba zette de achtervolging in, en zoals een hengst gewoon is, happend naar alles wat langs kwam rennen. Wij grepen hem
 verbijsterd  bij zijn halster en leidden hem de stal uit. Maar toen de staldeur openging vlogen ook die-6, als dol geworden stieren, naar buiten. Na wat denkwerk  besloten we dat Simba voor de nacht maar in de garage moest blijven. Maar eerst moesten die-6 weer naar stal gelokt en gekalmeerd worden, wat ik voor mijn rekening nam.

Mees veranderde de garage in een stal en hooi en water werden binnen mondbereik gezet. Na een "ga maar lekker slapen manneke" werd hij daar voor de nacht alleen gelaten.
Dame Kaya en Heer Iwan, onze Siberische Husky’s, hoorden vreemde geluiden uit de garage komen, zodat hun nieuwsgierigheid gewekt werd. Daardoor stuiterde Kaya bijna van de binnentrap, die naar de garage leidt. De traptoegang werd gebarricadeerd met tuinstoelen en het werd rustig. (Het gebalk uit de garage niet meegerekend).
Mees bracht comateus de nacht door maar ik sliep op een manier alsof er een baby in huis was: wakker bij het minste geringste geluidje. Ook moest ik regelmatig mijn warme bed verlaten om de tuinstoelen weer voor de trap zetten, die de honden omver hadden geduwd. Tevens moest ik hun vermanen het piepen en janken achterwege te laten, waar zij zich niets van aantrokken. Benieuwd hoe het de volgende dag zou gaan, viel ik toch nog in slaap en droomde van vredig samenwonende geiten, schapen en een ezel.

5) Alles went

De eerste nacht bij ons in de garage had Simba, de dwerg-ezel-hengst, zonder vachtscheuren doorgebracht. Toch moest hij naar de wei om onder de dieren te komen, zoals hij ook in "Dierenpark Amersfoort" gewend was. De vier dwerggeiten en de twee Kameroenschapen schrokken opnieuw toen echtgenoot Mees, met Simba aan de longeerlijn aan kwam lopen. Zij namen in paniek de hoeven maar Simba reageerde daar niet op. Mees besloot om hem los laten lopen om hem de boel te laten verkennen en dat ging goed. Hoera! Te vroeg gejuicht!
Hij ontdekte de starende geiten en schapen, die zich verschanst hadden achter de klimrots en rende naar ze toe. Die-6 namen de poten en Simba er achter aan. Nooit gedacht dat schapen, geiten en ezels zo hard konden rennen. Maar hij hapte wéér naar de dwerggeiten, wat normaal is voor een hengst, maar voor stadsmensen is dat een rot gezicht. Mees greep hem bij zijn halster, kalmeerde hem en maakte de longeerlijn weer vast aan zijn halster. Door de gebeurtenissen met Simba, kregen de honden een toeval en moesten nodig tot rust gemaand worden. De schapen, eerst zo mak als een lammetje, begonnen schichtig gedrag te vertonen en de twee Waalse Belginnen begrepen er al helemaal niets meer van. Hun Nederlands is nog steeds wat gebrekkig. De twee kleinste dwerggeiten waren helemaal als de dood voor "le petit vaurien" (het deugnietje = Simba).

Wij besloten dat hij eerst maar in z'n uppie aan de stal moest wennen. Ooit een ezel tegen de muren op zien lopen? De stal stond op z'n grondvesten te schudden toen hij daar alleen binnen was. Simba voelde zich in de steek gelaten! Hij had last van verlatingsangst, zocht daarom contact met die-6, die op hun beurt weer last hadden van een post-traumatisch-stres-stoornis. Daarom bracht Mees hem terug naar de garage, die nu als zijn stal fungeerde, om daar bij te komen van alle doorgestane emoties. Mees paste wel de garage aan: kostbare- en gevaarlijke spullen werden verwijderd. Omdat hij daar voorlopig alleen zou wonen, bezochten wij hem regelmatig en knuffelden met hem dat het een lieve lust was. Want alleen is maar alleen en dat is zielig.

"Zet Simba, gescheiden van de rest, zodat alle dieren op die manier aan elkaar kunnen wennen", was een tip van de kenner uit Amersfoort. En daar ging Mees, met een kruiwagen vol gereedschap aan de slag. De kruiwagen was beladen met een grondboor, palen, moker, hamer, waterpas - in de Ardennen onontbeerlijk - duimstok, gaas, spandraad, spanners en krammen. Dit beeld zou ik in de toekomst nog dikwijls aanschouwen. Het afscheidingshek was niet in een half uur klaar want degelijkheid staat hoog in het vaandel bij Mees en was strikt noodzakelijk voor Simba.
Toen het hek klaar was lokten wij Simba in zijn nieuwe wei. Al steigerend, rennend, bokkend en achteruitschoppend, dreef hij de honden tot opperste hysterie en werd pas kalm met wat biks. Dit was dus niet bepaald de manier om de dieren aan elkaar te laten wennen.
"Misschien moeten we ze samen laten eten" stelde ik voor.
Wij haalden Simba uit zijn wei, vulden twee voederbakken en baknijd kwam aan de orde. Simba begon weer met zijn achterbenen te slaan, niet tegen de andere dieren maar nu tegen mij. Gelukkig had ik vet genoeg op mijn dijen om er geen blijvend letsel aan over te houden. Maar hij bleef zich dominant opstellen tegenover die-6: hij schopte en beet dat het een lieve lust was. Dat deed hij ook bij ons en daar moest hij mee stoppen, anders zou zijn klokkenspel eraan moeten geloven! Maar het klussen ging verder: Mees maakte een degelijk klapdeurtje voor de binnentrap, zodat er geen hond meer naar beneden kon storten.

Al met al waren wij het hele weekend zoet geweest met geiten, schapen, honden, een ezel en klussen.
Die avond keerde de rust terug: Simba op in de garage, die-6 kregen hun avondmaal (niet hun laatste) de honden waren bekaf en wij genoten van een welverdiende borrel. Wij begonnen ons af te vragen hoe Simba zou reageren als zijn halfzusje Nala hier kwam wonen. Maar wij vertrouwden op de uitspraak: Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.

6) Niet meer alleen

“ Ik voel me zo verdomd alleen”, zong Danny de Munck al.

Het was duidelijk dat Simba, onze dwerg-ezelhengst, dezelfde gevoelens had.
Nadat was gebleken dat hij die-6 (4 geitjes en 2 schapen) maar niet met rust kon laten, leek het ons beter om hem voorlopig gescheiden te houden van de andere dieren. Het zou maar voor drie weken zijn, dan zou zijn toekomstige echtgenote hem gezelschap komen houden. Afwachtend op haar komst, vertoonde Simba regelmatig, ten opzichte van ons, ondeugend gedrag. Hij vond het een waar genoegen om in enkels, kuiten of billen te bijten. Onverwachts zijn voorbenen op de schouders van echtgenoot Mees of mij plaatsen of op onze rug te springen, vond hij een ook leuk spelletje. Dat alles vatten wij op als verveling van zijn kant. Maar een ezel-hengst die zich stierlijk verveeld is bij tijd en wijle niet écht leuk. Wij keken dan ook uit naar de dag in december 2005 dat Nala, de ezelmerrie, de verveling van Simba zou verdrijven.

Het vervoer van Nala in ons bestelautootje verliep, net als bij Simba, zonder problemen. Ze gedroeg zich als een dame: ze mestte, plaste of balkte onderweg totaal niet.
Aangekomen bij ons huis, zette Mees de auto weer vlak voor de garagedeur, zodat iedere ontsnappingspoging onmogelijk zou zijn.
Uitgaande van een doomscenario - een agressief reagerende hengst, die het niet accepteert een kamergenoot te krijgen - zetten wij Simba met halster en een kort stuk touw aan de oldtimer legerjeep vast. Een knappe ezel die de jeep van zijn plaatst zou krijgen. Ik leidde hem af met wat worteltjes toen Mees met Nala de garage binnenstapte. Simba merkte haar eerst niet op, maar toen hij haar in de smiezen kreeg gebeurde er wel het één en ander: zijn oren sprongen recht omhoog en hij begon als een hond te kwispelen. Ik maakte het touw los en Nala werd op een echte paardenmanier begroet: hij vleide zijn hoofd op haar nek en ze bliezen elkaar gezellig in de neus. Ook het gesnuffel aan elkaar was niet van de lucht. Maar toen Simba aan haar kruis begon te snuffen kreeg hij van Nala een optater met haar achterbenen om hem op zijn nummer te zetten.
Mees deed wat biks in de bak om Nala te laten wennen, maar Simba had ook nog wel trek en wilde gezellig mee-eten. Maar die vlieger ging niet op. Ze wilde met rust gelaten worden tijdens het eten en hup,hij kreeg weer op z’n duvel. Hieruit bleek dat Nala best haar vrouwtje kon staan en geen ezel was die Simba zonder handschoenen kon aanpakken.

Na enige tijd lieten we ze alleen, er op vertrouwend dat alles goed zou gaan, wat bij latere controle werd bevestigd: er zat geen bloed op het plafond.
Wat ons wel opviel was dat Simba zo vreemd balkte. De opwinding? Maar toen bleek dat het de hele nacht doorging en een vreemde intonatie had, rezen er toch wel twijfels bij ons. Was het dan toch Nala, die haar mammie miste? Ja dus. Maar balken kon je het haast niet noemen. De typische i-aa klanken waren en zijn nog steeds niet te herkennen. Is het bij Simba een geluid van een cirkelzaag dat eindigt alsof er met een ijzerzaagje een koperen pijp wordt doorgezaagd, Nala produceert het geluid wat het meest lijkt op het jubelend trompetgeschal van een olifantenstier, en eindigt in een jammerlijk gekreun.

De volgende dag sneeuwde het, maar we brachten toch de ezeltjes naar de wei. Ook Nala moest haar nieuwe leefomgeving leren kennen. Daar aangekomen, opende Mees het afscheidingshek zodat alle dieren weer overal konden lopen en staan waar zij wilden.
Oh hemeltjelief, daar heb je nog zo’n monster, zag je die-6 denken en wroets, weg waren ze. Nala schonk daar totaal geen aandacht aan en ging rustig haar gangetje, met af en toe een optater aan Simba verkopend. Hij kon zijn ogen, neus en mond niet van haar afhouden en vergat dat er ook nog mensen waren om in te bijten, wat weer gunstig was voor ons. Zo volgzaam en bijterig als hij eerst ten opzichte van ons was, nu gunde hij ons geen blik of bijt. Als Nala echt genoeg van hem kreeg sloeg ze met haar benen naar achteren of nam de benen. Dan werd het pas echt een gekke vertoning: twee ezels in rengalop achter elkaar aan, glibberend en glijdend op een met sneeuw bedekt, schuin aflopende wei. Het leek wel of ze aan het skiën waren.

En de Siberische Husky’s?
Dame Kaya en Heer Iwan begonnen eerst aan hun gezichtsvermogen te twijfelen en dachten dat zij dubbel zagen toen ze Simba en Nala aan zagen komen. Maar na het scherp stellen van hun ogen kwamen zij tot de afgrijselijke conclusie dat er echt twee ezels in de wei stonden. Wéér hilariteit, opwinding en gejank.
Maar alles went, ook ezeltjes. Pas wanneer Simba en Nala elkaar achterna zaten werden ook de honden weer opgewonden. En zo werd onbedoeld voorkomen dat zij veel te vaak lagen te suffen en vroegtijdig bejaard gedrag gingen vertonen.

7) Er is een lammetje...

Als je een kleine veestapel hebt met mannen en vrouwen, moet je natuurlijk niet vreemd opkijken als daar babybeesten uit voort komen. Maar zelfs zonder ram of bok kan een dergelijke gebeurtenis plaats vinden. Je moet er echter wel voor zorgen dat de aangeschafte dieren op voorhand drachtig zijn.
Wij verdachten onze Kameroenschapen Jet en Kira ervan, reeds nakomelingen bij zich te dragen maar helemaal zeker waren wij daar niet van. Ik legde regelmatig mijn handen op de flanken van de schapen maar aangezien zij constant staan te herkauwen, zijn bewegingen altijd aanwezig. Totdat ik op een dag Jet in sufstand zag staan. Vlug legde ik weer mijn handen op haar flanken en ja hoor, ik voelde echt iets bewegen, wat ik herkende van mijn eigen drie zwangerschappen. Maar het bleef een lekenonderzoek.

Toen ik op een ochtend in december 2005 een poging had gedaan om met behulp van enkele liters zwarte koffie en een half pakje shag, wakker te worden, strompelde ik naar de stal om voor de vier geiten en de twee schapen hun ontbijt te verzorgen.
Bij het openen van de staldeur concludeerde ik dat ik nog steeds niet wakker was: Ik telde achtentwintig i.p.v. vierentwintig pootjes. Na een hertelling bleef de uitkomst achtentwintig en wat bleek...Jet had een lammetje geworpen! Emotioneel als ik ben, liepen de tranen al snel over mijn wangen en stond ik als een oude vroedvrouw Jet te complimenteren.
Vlug sms-te ik het nieuws naar echtgenoot Mees en onze kinderen. Daarna sloot ik Kira en de vier geiten buiten. Zo kon de kraamvrouw, samen met haar kindje, bijkomen van de gebeurtenis. Een beetje vreemde reactie van mij want Kira en de geiten waren immers ook bij de bevalling aanwezig geweest.

Ik constateerde dat het lam een ooi (vrouwtje) was, want het klokkenspel ontbrak. Daarnaast kon ik vaststellen dat zij het evenbeeld van haar moeder was. Haar verwoede pogingen om door de stal te dreutelen waren aandoenlijk om te zien. Haar moeder Jet verloor haar geen moment uit het oog, zelfs niet als zij zelf stond te eten. Toen Kira en de geiten weer van mij toestemming kregen om de stal te betreden, ontwikkelde Jet beschermingsfactor honderd. Als er een geit te dicht bij haar baby in de buurt kwam ging ze er gewoon vóór staan. Zelf mocht ik van Jet wel in de buurt van het lam komen en het zelfs aaien en oppakken. Zo kwam ik er achter dat de nieuwgeborene ongeveer één kilo woog. Na telefonisch overleg met Mees besloten we om haar Noëlle te noemen, aangezien zij vlak voor de kerst geboren was.

Omdat ezels er vaak een waar genoegen in scheppen om te gaan voetballen met een lam, moest Mees opnieuw een afscheidingshek tussen de ezels en de andere dieren plaatsen. Zo zou Noëlle niet gebruikt kunnen worden als speelbal.
En daar ging Mees wéér het weitje in, zijn armen beladen met grondboor, palen, moker, hamer, waterpas, (in de Ardennen onontbeerlijk), duimstok, gaas, spandraad, spanners en krammen.
Na een week begon ik toch te twijfelen of Jet wel een lammetje had geworpen. Noëlle leek af en toe wel een kruising tussen een konijn en een jaguar: hoog springen en hard rennen. Als zij haar kop schudde dan bewogen haar oren zo snel dat ik bang was dat zij als een helikopter zou opstijgen. Maar de blatende geluidjes die zij maakte was toch wel het typische geluid van een schaap. En zij deed ook alles wat haar moedertje deed, lekker na-schapen dus.

8) Ik stond er bij...

Nadat ons Kameroenschaap Jet in december 2005 moeder, en gelijk een stuk slanker was geworden, konden wij zonder twijfel vaststellen dat ook haar soortgenootje Kira drachtig was. Zij was vergeleken met Jet een echte patapouf (dikzak).

Toen ik begin januari 2006 nog stond na te puffen van het uitmesten van de garage die als ezelstal dienst deed, kreeg ik behoefte om frisse lucht in te ademen. Tevens pulkte ik de strootjes uit mijn neus, oren en haren, die daar een plek hadden gevonden na het uitmesten. Terwijl ik daar mee bezig was, hoorde ik Jet blaten, die haar soortgenootje Kira riep. Die antwoordde wel vanuit de stal maar op een manier die ik nog nooit eerder van haar had gehoord. Ook kwam Kira de stal niet uit, wat ze gewoonlijk wel doet als Jet haar roept. Die twee lijken soms wel één schaap met acht poten en twee koppen. Afgaande op mijn moederlijke instincten, liep ik naar de stal om poolshoogte te nemen en zag Kira liggen, klaar om te baren!
Snel rende ik naar huis terug, pakte de telefoon en het nummer van de dierenarts en spurtte weer naar de stal. Toen ik binnen was zag ik de vruchtwaterzak al "buitenboord" hangen en geëmotioneerd bracht ik telefonisch echtgenoot Mees op de hoogte van de op handen zijnde bevalling. Door mijn gesnotter verstond Mees er niets van en dacht dat er iets ernstigs aan de hand was. "Kira is aan het bevallen", herhaalde ik iets duidelijker, zodat Mees gerustgesteld was.  

Omdat ik het eigenlijk veel te druk vond in de verloskamer, loodste ik de vier geitjes naar buiten maar liet Jet en Noëlle bij de kraamvrouw voor wat morele steun. Dit had onmiddellijk een protestactie van de geitjes tot gevolg. Zij dachten waarschijnlijk dat er binnen voedsel werd verstrekt. Ondertussen kreeg Kira de ene na de andere perswee en zag ik opeens door het vlies de contouren van wat op twee pootjes leek en even later dat van een koppie. Met verwondering bekeek ik de uitdrijving, ondertussen bemoedigende woordjes tegen de kraamschaap sprekend. Alsof zij daarop zat te wachten! Na nog een laatste keer flink geperst te hebben, floepte het lammetje naar buiten en ging Kira ging staan. Daardoor brak de navelstreng en gleed het vlies van het lammetje. Vlug bracht ik Mees en mijn kinderen telefonisch op de hoogte van dit heugelijke feit. Kira trok zich van al mijn geleuter niets aan en begon haar kindje droog te likken en stimuleerde het om op te staan, wat na enige aarzeling en wat valpartijtjes ook lukte. Het was het evenbeeld van Kira, wat de kleurstelling en tekening betrof. En terwijl de damp nog van het natte lijfje sloeg - het was nét boven het vriespunt in de stal - begon het zelfs al een geluidje te maken dat het blaten moest voorstellen. Ik besloot om toch maar het kacheltje aan te zetten, onder het motto "baat het niet, dan schaadt het niet". Ook liet ik de vier geiten weer binnen, hoe meer zielen, hoe meer warmte. Jansie en Dolan, de Waalse Belginnen, vonden het kacheltje heerlijk: zij waren er niet meer bij weg te slaan en waren zichzelf zodoende aan het vóórstoven. Na grondig onderzoek ontdekte ik dat dit lammetje ook een dametje was en dit keer zonder overleg met Mees, doopte ik de nieuwgeborene Znouszie.

De volgende dag, drieëntwintig uur jong, nam Kira haar al mee naar buiten. En niet eerst een klein stukje, zoals Jet met Noëlle deed, nee hup, gelijk een eind in de sneeuw wandelen, het arme schaap. Kira gedroeg zich toch heel anders dan Jet. Bij mensen zouden we zeggen dat Kira een moderne moeder was: kinderen horen snel zelfstandig te zijn. Ze liet Znouszie rustig alleen blèren in de stal, terwijl ze zelf buiten op zoek ging om wat eetbaars te vinden. De sloerie!
Heer Iwan, meneer Siberische Husky, had het tweede lamskoteletje nog niet kunnen onderscheiden in al dat beestengewoel en Dame Kaya, mevrouw Siberische Husky, vond het allemaal prima, zolang zij haar bankje maar niet hoefde te delen.
Een prettige bijkomstigheid was, dat Mees dit keer niet met zijn armen vol gereedschap het weitje in moest om een afscheidingshek te maken. Dit ter voorkoming dat de ezels het kleintje gingen gebruiken om mee te hoofdballen. Dat stond er nog naar aanleiding van de geboorte van Noëlle.

Helaas hebben wij niet lang plezier kunnen hebben van Znouszie.
Drieëntwintig dagen jong is zij geheel onverwachts overleden. In de namiddag liep ze nog lekker te dreutelen in de stal, nadat ze de hele dag normaal had gehuppeld en gesprongen. Ook had zij normaal gedronken en hooi en stro gegeten, maar in de vooravond vond Mees haar roerloos in de etensbak liggen. Nadat wij haar mee naar binnen hadden genomen om haar wat extra warmte en vocht te geven, blies zij even later haar laatste adem uit. Wij waren verbijsterd van zoveel onrecht. De grootste schurk wordt honderd jaar en dit wezentje, dat nog nooit iemand kwaad had gedaan, was geen lang leven beschoren.
De volgende dag raadpleegde wij de veearts die vertelde dat de doodsoorzaak naar alle waarschijnlijkheid gezocht moest worden bij een hartafwijking, aangezien haar tongetje helemaal blauw was geworden. Het was maar goed dat zij niet lang als hartpatiënt door het leven hoeven te gaan, want een schaap met hartproblemen is zielig. Haar moeder Kira vertoonde geen enkel zoekgedrag naar haar kindje, alleen maar naar voedsel.
Gelukkig maar want een verdrietig schaap is óók zielig.

9) Wie zaait...

Wij hadden het jaren geleden al eerder gedaan en dat was prima bevallen. Het had ons een uiterst bevredigend gevoel gegeven om te kunnen genieten van zelfgezaaide zomerbloeiers. Nadat wij enkele zomers kant-en-klare plantjes hadden gekocht vond ik dat het weer tijd werd om zelf zomerbloeiers te gaan zaaien.

De tien aangeschafte kweekbakjes hadden een afmeting van12 x 12 cm. Er zat speciale aarde bij en natuurlijk de zaadjes. Eerst moesten de bakjes gevuld worden met de aarde en daarop moesten de zaadjes gelijkmatig uitgestrooid worden. Met grote precisie probeerde ik het zaad eerlijk te verdelen in zo'n bakje. Helaas heb ik af en toe last van onverklaarbare spiertrekkingen in mijn rechter arm zodat het meeste zaad daar terecht kwam, waar het niet hoorde. Ik vervolgde deze pietepeuterige werkzaamheden daarom op een andere manier. Met een pincet deponeerde ik de zaadjes één voor één daar, waar zij wél moesten liggen. Een bijzonder tijdrovende bezigheid maar ik had toch tijd genoeg. Nadat de zaadjes op de juiste plek waren gelegd, dekte ik het geheel af met een dun laagje aarde. Vervolgens maakte ik het geheel goed vochtig en dekte het bakje af met het bijgeleverde plastic kapje. En dat tien keer. Volgens de gebruiksaanwijzing moest men voorkomen dat er teveel condens aan de binnenkant van de kapjes kwam te zitten anders ging de boel schimmelen.
Enkele dagen na het zaaien stond ik iedere ochtend tien plastic kapjes af te drogen. Tevens stond ik turend door een leesloep te gluren of er al iets groens boven de aarde uitkwam.

Op een ochtend slaakte ik een indianenkreet: ik had de eerste groene puntjes ontdekt!
De bakjes verhuisden naar de vensterbank in de keuken, waar het ontspruitende groen voldoende licht zou krijgen om zich tot echte plantjes te ontwikkelen.
Nadat het jonge spul vier blaadjes hadden gekregen, moest ik de iele groene plantjes verpotten in turfpotjes of kleine plastic potjes. Dat was een klus die, zo bleek later, mij tien jaar van mijn leven zou kosten.
Mijn keuken toverde ik om tot een echt tuincentrum. Een plastic kleed bedekte de keukentafel, een grote schaal potaarde en een gieter stond binnen handbereik. De turfpotjes stonden keurig in gelid en waren reeds op voorhand nat gemaakt. Ook het theelepeltje lag klaar voor gebruik. Turfpotje één werd gevuld met potaarde, wat goed vochtig was en moest lichtelijk aangedrukt worden. Nou ben ik mijn hele leven al behoorlijk hardhandig, zodat het licht aandrukken van de aarde ontaardde in het stuk drukken van het tere turfpotje. Een lelijk woord ontsnapte uit mijn mond. Opnieuw proberen was de enige optie. En het lukte.
Daarna priegelde ik met het theelepeltje het eerste kluitje aarde uit een kweekbakje. Met veel gefriemel was na tien minuten het eerste turfpotje gevuld met iets groens wat viooltjes moesten worden. Deze handeling voerde ik in drie dagen totaal honderd keer uit. Daarbij tien turfpotjes stukdrukkend.
De gevulde potjes werden op bladen met opstaande rand gezet, die plaats kregen op de vensterbank in de keuken. Toen ik met dit helse werk klaar was, wilde ik nog even iets verschikken aan de opstelling van de turfpotjes. Door mijn geschuif en gescharrel om nog één potje op een blad te persen verplaatste ik het zwaartepunt op het blad. Zodoende mieterde het hele blad van de vensterbank en belandde ondersteboven op de grond. Er kwamen nu heel veel lelijke woorden uit mijn mond: De halve keuken zat onder de kletsnatte aarde en modderwater droop van mijn keukenkastjes.

Tijdens de verpotwerkzaamheden gebruikte ik de keuken niet meer waarvoor zij oorspronkelijk dient. Ik vond dat niet erg want ik heb een hekel aan koken. Mees zorgde er zelf voor dat hij, tijdens de verpotperiode, toch zijn warme maaltijd kon nuttigen: hij ging naar het nabij gelegen restaurant om aan zijn eetbehoefte te voldoen.
Vanaf begin mei mochten de jonge plantjes, in de vrije grond, een nieuw leven gaan leiden. Wanneer zij uiteindelijk tot volwassen, bloeiende planten ontwikkeld zijn, is het waarschijnlijk winter. Onze tuin zal dan een wonderlijke aanblik geven, zeker als er tien centimeter sneeuw ligt. Het maagdelijk wit wordt dan opgefleurd door de bloemen, die net boven de sneeuw uitsteken. Dat zal tussen de kale takken van de rozenstruiken een vrolijk gezicht zijn.

10) Muizenissen

Bij ons zijn en waren muizen een niet te negeren plaag.

Het begon allemaal in ons huis in Almere. De oorzaak van de komst van deze nieuwe huisdieren moest gezocht worden in het feit dat op iedere kinderkamer wel één of ander knaagdiertje in een kooitje woonde. Konijnen, hamsters en tamme ratjes leefden daar als God in Frankrijk, wat niet onopgemerkt bleef door muizen. Het geritsel en getrippel van deze ilegale krakers was niet van de lucht.
In de zomer leefden zij in de buitenvolière tussen kippen, eenden en fazanten waar altijd wel wat restjes zaad te vinden waren. Als de winter aanbrak verhuisden zij hun hebben en houwen naar de warme kinderkamers. Angst boezemden deze beestjes niet bij ons in maar niemand hield van doorgeknaagde bedradingen of aangevreten etenswaar. Er moesten dus maatregelen genomen worden.

Muizengif was zielig evenals een muizenval (wat ook een onsmakelijke aanblik gaf). Wij kozen voor muisvriendelijke vallen, waarbij het beestje bij het betreden van de val niet vermorzeld wordt, doch slechts opgesloten raakt. Je moet hem daarna wel op een veilige afstand van je huis de vrijheid geven. Doe je dat niet dan neemt hij, ook niet gek, de beentjes en rent in volle galop weer terug naar de veilige, warme haven.
Het was voor ons onbegonnen werk om deze dieren te verbannen. Daarom werden zij maar gedoogd.
In de buitenvolière ging het al niet veel beter. De buurtkatten zaten dagelijks met kwijlende bekken naar de volière te staren. Dat deed onze buurman vragen of wij soms muizen in de volière hadden. Waar wij met een pokerface ontkennend op antwoordden.
Wij zagen n.l. geen mogelijkheden om deze medebewoners uit te roeien en vonden het trouwens veel te leuk om de muizen te observeren wanneer zij als drukke baasjes druk doende tussen de andere bewoners scharrelden.

Als wij dachten dat wij tijdens de weekenden op onze sleepboot even verlost zouden zijn van deze kleine monsters, kwamen wij bedrogen uit. Zelfs zonder de aanwezigheid van andere knaagdieren voelden muizen zich vreselijk op hun gemak in de boot en hadden totaal geen last van zeeziekte. Maar ook in een boot is elektrische bedrading erg kwetsbaar. Om te voorkomen dat er storingen of kortsluiting zouden plaatsvinden, plaatsten we toch maar muisonvriendelijke vallen. Dat had als resultaat dat ik het vertikte om als eerste het echtelijk bed te verlaten om de confrontatie aan te moeten gaan met de bloederige slachtpartij van die nacht. De vallen deden wat ze moesten doen en binnen afzienbare tijd was onze boot muisvrij.

Toen wij onze sleepboot verruild hadden voor een huis in de Ardennen, werden wij wederom geconfronteerd met de aanwezigheid van muizen. Daar het huis jaren zonder menselijke bewoning was geweest, hadden zij de vliering van ons nieuwe verblijf gekraakt om daar met vol enthousiasme voor ettelijke nakomelingen te zorgen. Muisonvriendelijk of niet, voor dit aantal muizen waren de vallen niet aan te slepen. Heel dieronvriendelijk strooiden wij royaal met gif. Het resultaat was na enkele weken hoorbaar: er was geen geritsel of getrippel meer te horen. Slechts op het terras wilde zich nog wel eens zo’n klein mormel vertonen. En zoals het een goede dierenvriend betaamt, werd het door ons ook nog gevoederd met nootjes. Dat deden wij slechts éénmaal want het geluid van trippelende pootjes op de vliering kwam weer in onze herinnering terug.

Nadat er door echtgenoot Mees stallen voor de schapen, geiten en ezels waren gebouwd én bevoorraad met hooi en stro, deed zich een fenomeen voor. Het kwam ons niet geheel onbekend voor: een aanzienlijke kolonie muizen begon daar in volledige harmonie met de respectievelijke bewoners, illegaal, samen te wonen. Niet zo vreemd natuurlijk want er was voeding en nestmateriaal in overvloed. De warmte die de legale bewoners uitstraalden, deden de muizen besluiten om daar te blijven wonen. De krakers waren niet bang voor de grotere dieren. Het tegenovergestelde kwam wel een keer voor: Simba, de ezelhengst, schrok op een dag zo erg van een wegschietende muis, dat hij in rengalop de benen nam en zeker een half uur versteend van angst bleef staan, dáár, waar hij gestopt was met rennen. Slechts kalmerende woorden en een wortel brachten hem ertoe weer naar de stal terug te keren.
Omdat er genoeg hooi en stro te knagen was, maakte Mees zich niet zo druk om de elektrische bedradingen in de stallen. Wel gebeurt het dat, wanneer wij in de avonduren nog in de stallen komen, de muizen ons om de oren vliegen, gelijk een zwerm vleermuizen.

Mees heeft nog wel een spoedcursus muizenzwemmen georganiseerd.
Hij treft namelijk regelmatig een verdronken muis aan in één van de drinkemmers van de weidedieren. Er meldde zich niemand aan voor deze lessen, zodat hij tot op de dag van vandaag, met de regelmaat der klok, een verdronken muis moet verwijderen uit één van de emmers. Die klus kan gekwalificeerd worden als een nare, onsmakelijke taak. Reddingsboeien in de emmers zou een oplossing kunnen zijn maar die zijn in heel kleine afmetingen helaas niet te koop bij een watersportzaak.
Zo blijven de muizen voor muizenissen zorgen.

11) Route barrée

De straat waaraan wij wonen, bevindt zich op een afstand van vijftig meter van ons huis en ligt twintig meter lager. Alleen de bewoners die daar wonen, maken er gebruik van. Lekker rustig dus, mede om het feit dat er maar dertig kilometer per uur gereden mag worden (waar niet iedereen zich aan houdt). Ik was daarom ook zeer verwonderd toen daar op een dag, terwijl ik met onze honden aan het wandelen was, veel autoverkeer door scheurde. Toen ik een blik wierp op de provinciale weg, die op een afstand van honderd meter parallel loopt aan onze straat, merkte ik dat daar geen enkele auto reed. Het begrip "déviation" (omleiding) schoot door mijn hoofd. Maar waarom?

De bekende geluiden die veroorzaakt worden tijdens een verkeersongeluk, had ik niet gehoord. Evenmin de sirenes van politie of ambulances of het geluid van de médicoptère.
Het was mogelijk dat er weer een deel van de provinciale weg blank stond. Dat was al enkele keren eerder gebeurd en er was de afgelopen dagen flink wat neerslag gevallen. Er waren echter geen geluiden op te vangen van een pomp van de brandweer, evenmin waren er zwaailichten waar te nemen. Toen ik alle mogelijkheden uitgesloten had werd ik overvallen door mijn alom bekende nieuwsgierigheid.
"Ga dan kijken wat er aan de hand is" stelde echtgenoot Mees voor. Maar er moest gekookt worden!
Nadat de in elkaar geboetseerde maaltijd door ons verorberd was, snelde ik naar mijn uitkijkpost en constateerde met enorme verbazing dat er nu allemaal geparkeerde auto's op de provinciale weg stonden. Dat was te veel voor mij en ook Mees wilde nu het naadje van de kous weten. Hij schoot in zijn jas terwijl ik verstijfd en brandend van nieuwsgierigheid achter bleef.
"Ik bel wel als er iets bijzonders te melden valt" zei Mees, terwijl hij zijn weinig gebruikte GSM van de plank griste en er als een haas vandoor ging. Ondertussen spoten de vlammetjes uit mijn oren en mijn verstijfde toestand was overgegaan tot onbeheerst bibberen, zo nieuwsgierig was ik naar het resultaat van het onderzoek door Mees.
 
Na een stief kwartiertje, waarin de tijd leek stil te staan, was Mees weer terug met een grote grijns op zijn gezicht.
"Nou, dit raad je nooit...." bulkte hij met de stem van een Sergeant-majoor. Door het bibberen was ik niet in staat om te antwoorden en in gebarentaal vroeg ik om uitleg. Wat bleek: ter gelegenheid van de opening van zijn nieuwe kantoor, had een plaatselijke ondernemer een receptie georganiseerd die door vele genodigden werd bezocht. Deze gasten moesten natuurlijk wel hun vervoermiddel op redelijke afstand kunnen parkeren en het liefst niet op een modderig veldje, daar waren zij te chic voor gekleed. Wat doe je dan als gastheer? Je laat de politie twee mobile matrixborden plaatsen met "Route Barrée" (wegafsluiting) en op een kritiek kruispunt de borden "Deviation" Zo creëer je een parkeerstrook van zo'n kleine twee honderd meter. De vlammetjes uit mijn oren doofden abrupt en ook het bibberen hield op. En met een uitdrukking van ongeloof stootte ik stotterend uit:
"Dit is alleen in Wallonië mogelijk! Een gedeelte van zo een belangrijke doorgaande weg afzetten! Dat kan toch niet zomaar?" Het kon dus wel.

Gelukkig was de geluidsoverlast van de feestgangers minimaal. Slechts het middernachtelijk vuurwerk deed ons eraan herinneren dat er in ons dorpje iets te vieren was.

12) Het zit op de bank...

Eten, slapen en omgeven worden door vijf vrouwen. Welke man droomt daar niet van?
Het overkwam Indy, ons dwergbokje, zonder dat hij daarvoor enige moeite had moeten doen.
In oktober 2005 weggehaald uit Amersfoort, op transport gezet met drie dames, werd hij uitgeladen bij ons huis in de Ardennen. Daar maakte hij kennis met nóg twee, Belgische, dames: Jansie en Dolan. Taalbarrières ontstonden er niet tussen Indy en de twee Waalse Belginnen. Men sprak een soort internationaal gemekker, waar iedereen bekend mee was. Veel werd er nog niet geconverseerd want Jansie en Dolan hadden een arrogante en dominante houding, voortkomend uit het besef dat zij nu hun huis moesten delen met drie Nederlandse dames en één meneer. Indy sloot zich de eerste nacht daarom maar aan bij zijn reisgenoten, wat een vertrouwd gevoel gaf.
Zijn eerste dag was nog wat onwennig. Maar de aanwezigheid van de andere landgenoten, waar hij steeds bij in de buurt bleef, stelde hem aangenaam op zijn gemak.

Na enkele dagen merkte hij dat ik dagelijks een bezoek bracht aan hem en de andere geiten en schapen. Ik nam dan een busje mee, gevuld met worteltjes. Die deelde ik aan de dieren uit en liet het zelfs uit mijn mond trekken. Dat vond een Indy een onsmakelijk idee. Hij distantieerde zich daar onmiddellijk van en vond die vertoning ver beneden zijn waardigheid. Toch overwon zijn nieuwsgierigheid het van zijn afkeer. Na wat aan die oranje staafjes gesnuffeld te hebben, ontdekte hij dat het eetbaar was en nog lekker bovendien. Hij zette zijn afkeer overboord en vanaf die dag was hij één van de eerste die mij bestormde als ik met de worteltjes hun territorium betrad.

Indy werd steeds nieuwsgieriger.
Hij kwam er achter dat het gras bij de buren toch nog altijd groener is dan thuis. Dat zorgde wel voor onaangename consequenties. Eenmaal zijn hoofd door het gaas gestoken, zaten die uitsteeksels boven op zijn hoofd danig in de weg om weer in normale positie te komen. Hij had het geluk dat ik dan snel op zijn gejank afstormde om hem uit zijn benarde positie te bevrijden. Dat gaf hem waarschijnlijk een veilig gevoel en hij voerde het daarom vaker uit. Tot er op een keer de draadschaar aan te pas moest komen om het gaas stuk te knippen. Toen pas kon ik hem bevrijden. Indy krabde achter zijn horens en besefte dat het misschien wel eens tijd werd om zichzelf te bedruipen. Hij begon zich immers zowel geestelijk, als lichamelijk, sterk te ontwikkelen. Wel werkte het op zijn zenuwen dat ik, als hij zomaar voor de lol stond te janken, aan kwam rennen in de veronderstelling dat hij weer vast zat. In de dagen daarna leerde ik mijn pappenheimertje hoe langer hoe beter kennen en liet hem voortaan in zijn sop gaar koken.

Met het klimmen der maanden werd ook zijn belangstelling voor de dames gewekt.
De twee schapen bleken regelmatig tochtig te zijn wat hem behoorlijk rupsig maakte. Helaas, zijn kleine afmeting had tot gevolg dat hij de daad met geen mogelijkheid bij de schapen kon uitvoeren. Dat wond hem nog meer op, zodat hij naarstig een mogelijkheid zocht om het tot een bevredigend einde te brengen: van voren, van opzij, toch maar van achteren; het leidde allemaal tot niets. Slechts een ladder zou uitkomst bieden maar helaas was die niet voorhanden. En terwijl de grotere dames het allemaal rustig over hen heen lieten gaan, maakte Indy geluiden die op een mix leken van het keffen van een hond en het gekwaak van een kikker.

Zijn soortgenootje Julia, moest niets van hem weten, wat waarschijnlijk duidde op andere seksuele geaardheid van haar kant. Jansie en Dolan hielden niet van buitenlanders. Zij waren behoorlijk bevooroordeeld en zetten Indy regelmatig op zijn nummer. Ze wilden wel met hem spelen, maar voor de rest…
Uiterst frustrerend voor deze macho, die ondertussen een echte mannensik aan het kweken was. Dat gaf hem zo een stoer uiterlijk dat de Waalse Belginnen uiteindelijk zwichtten voor zijn charmes. Daar profiteerde Indy onmiddellijk van met als gevolg dat hij tot op heden al voor vijf nakomelingen bij deze dames heeft gezorgd.
Het dominante gedrag van vooral Jansie, begon hij aan zijn hoefjes te lappen. Hij bokte met volle overtuiging van zich af en nam zodoende de rol van kuddeleider over. Het bankje bij de geitenstal is zijn troon geworden. Terwijl het voorheen een gunst was als hij naast Jansie op de bank mocht zitten - maar niet zappen - nu mag, als hij in een goede bui is, soms één van zijn nakomelingen aan zijn zijde op het bankje plaatsnemen.
Zo ziet men maar weer: Alles went, ook een vent!

13) Op de fiets

In Nederland is het goed te doen, mits het niet te hard waait. Nou waait het daar maar al te vaak en meestal heb je tegenwind. Het voordeel is dat in dat land, op een paar uitzonderingen na, alles redelijk waterpas is.
In mijn vaderland heb ik dan ook vele kilometers op de fiets afgelegd.

Nadat ik, met echtgenoot Mees en onze twee dochters, naar Frankrijk was verhuisd, wilde ik in ons dorp laten zien hoe Hollandse vrouwen boodschappen doen: niet met de auto maar met twee kleine kinderen op de fiets. Toen ik naar de supermarkt vertrok, voelde ik dat tien paar ogen, door tien verschillende ramen gluurden. Ik deed of ik het niet merkte en fietste met veel elan het dorp uit, heuvelafwaarts. Nadat ik boodschappen had gedaan, moesten behalve de twee kinderen, ook nog de inkopen mee vervoerd worden. Aan beide zijden van mijn stuur hingen zwaar beladen tassen wat het fietsen niet lichter maakte. In het dorp aangekomen, heuvelopwaarts, werd de tocht steeds zwaarder. Weer voelde ik me gadegeslagen door de vele gluurders maar ik zette door en vertikte het om lopend naast mijn fiets ons huis te bereiken. Met de moed der wanhoop legde ik de laatste paar meters af, tilden de twee koters uit hun fietsstoeltje en ontdeed het stuur van de boodschappentassen. Met mijn laatste krachtsinspanning lukte het mij met moeite om de voordeur te openen en de kinderen naar binnen te jagen. Eenmaal binnen plofte ik onder het keukenraam op de grond, zodat geen van de buren mij kon zien. Tevens verzocht ik de meisjes om mij een half uur met rust te laten zodat ik op adem en krachten kon komen. Nooit heb ik die tocht op de fiets met twee kinderen herhaald, bang dat het dan mijn laatste tocht zou zijn.

Weer wonend in Nederland ging het fietsen weer een dagelijkse gewoonte worden. Ook toen wij later de gelukkige eigenaars werden van de twee Siberische Husky’s, Kaya en Iwan. Door het enthousiasme van de honden om te kunnen rennen, aangelijnd aan de fiets, gebeurde het dikwijls dat het voor ons onnodig was om te trappen. De honden zorgden er voor dat wij op een simpele manier vooruit kwamen.

In de Ardennen, waar ons huidige huis staat, zijn prachtige fietstochten te maken. Hoewel de routes min of meer bewegwijzerd zijn, geeft Mees liever toe aan zijn avontuurlijke karakter. Uitgestippelde routes befietsen druisen in tegen zijn principes. Zo gebeurde het een keer dat hij een mooi bospad zag en mij sommeerde om die samen te bestijgen. Het was maar goed dat wij degelijke wandelschoenen aan hadden, want het wandelen kwam, door de vele klimpartijen, meer aan bod dan het fietsen.

Met het klimmen der jaren gingen wij minder klimmen met de fiets. De fietsen stonden alleen nog stof te verzamelen. Daar bracht dochter Lisa drastische verandering in. Zij is van het “kan niet stilzitten type” en tijdens een logeerpartij bij ons stelde zij voor om die stoffige stalen rossen eens van stal te halen en er mee te gaan fietsen.
“Geef jij maar aan hoe snel en hoe ver we gaan, Mies ”, stelde Lisa mij gerust. Na vijf kilometer vond ik het welletjes; we moesten ook weer terug !!! Mijn conditie was immers door het vele roken er niet op vooruit gegaan.

Daarna volgden er nog vele fietstochtjes, waarbij langzaam maar zeker de gefietste afstand langer werd. Toch had ik het idee dat Lisa veel verder en harder wilde fietsen en voelde me een spelbreekster in onze activiteit, wat door Lisa ten stelligste werd ontkend. Ik nam mij voor om daar verandering in te brengen.
Ik kocht een hometrainer.

De eerste keer fietste ik, zonder vooruit te komen, drie kilometer. Dat werd per keer rustig opgebouwd tot twintig à tweeëntwintig kilometer. En dat doe ik nu zes à zeven keer per week.
Het droogfietsen wierp zijn vruchten af. Toen Lisa weer een keer op bezoek was en natuurlijk wilde fietsen, legden wij de eerste dag vijftien kilometer af, zonder dat ik bij thuiskomst van uitputting in elkaar zakte. De tweede dag fietsten wij tweeëntwintig kilometer. En dat alles op een echte fiets. Lisa liet meermaals blijken hoe trots zij op haar oude moedertje was, wat bij mij natuurlijk enorm stimulerend werkte.
Op de derde dag stond er een nieuwe uitdaging te wachten: wij gingen een helikopter-evenement bezoeken in een veel hoger gelegen dorp. Er op vertrouwend dat de door Mees verschafte informatie op waarheid berustte dat er slechts één steile klim te nemen was, togen Lisa en ik op pad.
Ik heb het er levend afgebracht en was trots op mezelf. Ik beken wel eerlijk dat, als ik van te voren had geweten hoe zwaar de tocht zou zijn, ik toch liever met de auto was gegaan. Mees had de klimpartijen bewust gebagatelliseerd.
Ik heb mij voorgenomen dat ik voortaan eerst het parcours met de auto ga verkennen indien er een nieuwe uitdaging wordt aangegaan. Mijn vertrouwen in de klimvoorspellingen van Mees is een beetje zoekgeraakt en ik wil nog langer leven en fietsen dan vandaag: ik ben nog lang niet levensmoe.

14) Vee met vleugels

Het werd tijd om wat variatie in de veestapel aan te brengen, vond echtgenoot Mees.
Naast exotische zoogdieren en paardachtigen, zou het wel vrolijk zijn om wat gefladder te kunnen aanschouwen.
En zo gingen wij in de zomer van 2006 “op reis”. De mogelijkheid om de dieren in de naaste omgeving te kopen bleek een onmogelijke zaak dus werd er een lange autorit aan gespendeerd. Wat je ver haalt is immers lekker. Er kon al vlug een keuze gemaakt worden uit het ruime aanbod en zonder treuzelen werden de dieren in het bestelautootje geladen zoals, in een grijs verleden, ook de geiten, schapen en ezeltjes waren vervoerd.

Aangekomen in hun nieuwe woning, - die gedeeltelijk in de geiten/schapenstal gebouwd was - waren de beestjes eerst nog verplicht om enkele dagen opgesloten te blijven. Zo konden zij vanuit hun buitenren hun leefomgeving goed observeren. Dat was erg belangrijk zodat zij niet konden verdwalen als zij eenmaal los mochten vliegen.
De geiten en schapen waren behoorlijk nieuwsgierig naar wat er toch in dat hok zat en de ezeltjes staarden stomverbaasd naar de nieuwelingen, vooral door het geluid wat zij produceerden.
De honden, vooral Heer Iwan, zag de nieuwkomers al in zijn etensbak liggen, compleet met een sausje. Dame Kaya bekeek het geheel rustig vanaf de tuintafel maar likte wel regelmatig haar bek af bij het zien van al dat lekkers. En iedere keer wanneer de nieuwkomers hun specifieke geluid ten gehore brachten, werden beide honden toch wel wat rusteloos. Maar alles went, weten wij nu uit ervaring.
Onze nieuwste dieren waren twee Hollandse Boerenpauwen, twee Italiaanse Meeuwtjes en twee Saksische Hoogvliegers en kenners weten het al: wij hadden nu ook duiven. Dus samen met de Kameroenschapen, de Belgische dwerggeiten en de Siberische Husky’s was het al een aardig internationaal dierengezelschap.

Helaas ging er al snel een duif dood. Het arme beessie had zichzelf helemaal uitgehongerd, gelijk een anorexiepatiënt. In één van de eerste nachten is hij naar de duivenhemel gevlogen. Omdat de overige vijf een verpieterde indruk ging vertonen, besloot Mees om ze toch maar, eerder dan gepland, het ruime sop te laten kiezen.
De twee Italianen namen het initiatief en ontvouwden hun te lang opgevouwen vleugels en vlogen niet weg, maar op het dak van de stallen. Ze fladderden rustig in de richting van de ezeltjes, die toch wel erg groot waren in de ogen van de duifjes, veranderden daarom hun koers richting de Husky’s, wat mij bijna een hartstilstand bezorgde. Die koerswijziging hadden ze niet moeten uitvoeren want tot twee maal toe zat er bijna een Italiaan in de bek van een Siberiër die op zijn beurt spijtig het Italiaanse biefstukje aan zijn neus en bek voorbij zag vliegen.
Ook het bankje bij de schapen- en geitenstal werd door een Italiaan bezocht. En het bokje Indy, die bijna niemand tolereert wanneer hij zich daar te herkauwen heeft geïnstalleerd, accepteerde, weliswaar verwonderd, het vliegbeest aan zijn zijde.

De twee Saksen deden het wat rustiger aan. De eerste dag was slechts het mannetje de meest ondernemende van het koppel. Hij vloog in één rechte lijn naar de ruïne, die in het weitje van de schapen en geiten staat. Daar bleef hij wat verbouwereerd zitten staren en verwonderde zich om zijn eigen ondernemingsdrang.
De tweede dag begonnen de beide Saksen zich wat vrijer te bewegen. Het echte hoogvliegen, zoals van dit soort duiven mag verwachten, bleef echter achterwege. Het mannetje ontdekte dat er op de begane grond lekkere hapjes lagen en doodgemoedereerd voegde hij zich als een scharrelkip tussen de geiten en de schapen. Vliegen deed hij amper, het was wat verticaal gefladder. Daardoor leek dit schepsel meer op een kip dan op een duif, temeer omdat hij rustig tussen de poten van de herkauwers banjerde. Bij het vallen van de avond liet hij zich door Mees als een tamme rat van de ruïne, staldak of uit het hooi plukken om bij de andere duiven de nacht door te brengen

Helaas hadden wij niet lang plezier van onze nieuwe aanwinst: er stierven nog twee duiven aan een natuurlijke dood, en ook de Siberische Husky’s zorgden voor uitdunning. Zij waren toen al tien jaar maar nog steeds wisten zij in geval van (hongers)nood een snelheid te ontwikkelen als een jachtluipaard. Ik was te laat om te voorkomen dat Heer Iwan een argeloos duifje aan zijn staartje van het terrashek aftrok en Dame Kaya dat duifje de genadebeet toebracht.
Er restte ons toen nog slechts twee Italiaanse Meeuwtjes. Hoe het daarmee verging, kan men in het volgend verhaaltje lezen.

15) Overspel

Het leek zo’n gelukkig paar. Waar je hem zag, zag je haar. Alles deden ze samen in perfecte harmonie. Tot het moment dat hij zwichtte voor de charmes van een andere dame. Hij pakte zijn koffertje, sprak: “Adieu” en trok bij zijn nieuwe liefde in, zijn oude achterlatend met de zorg én de verantwoording voor de drie kinderen van zijn nieuwe vriendin.
Hoe vaak komen bovengeschetste situaties niet voor?

Er restte ons nog twee duiven en dat is niet veel, vond echtgenoot Mees en hij besloot om nieuwe duiven aan te schaffen, zodat er weer een respectabel koppel rond ons huis kon fladderen. Hij kocht vier Oud-Duitse Meeuwtjes: een mamaduif met haar drie kinderen.
Nadat het nieuwe span één week opgesloten zat om te wennen aan hun nieuwe buitenomgeving, kwam voor hen het fel begeerde moment om hun vleugels uit te slaan. Wat onwennig stonden de drie kleintjes bibberend op het aan- en afvliegplankje en staarden vol bewondering naar de Italiaanse duivin, die al vlug haar vleugels spreidde om uit te vliegen. Met een kloppend hart keken wij toe en constateerden dat de Italiaans duif zijn vrouwtje niet achterna ging. Dat was een compleet nieuwe situatie. Normaal vloog hij altijd in het kielzog van zijn echtgenote. Ook het nieuwe Duitse vrouwtje liet verstek gaan. Opeens kwam hij héél parmantig het nachthok uit trippelen en vloog de ezelstal binnen, op de vleugel gevolgd door het nieuwe vrouwtje. En daar verbleef het pasverliefde stel een groot deel van de dag en de volgende dagen. Het was een schandalige vertoning. Het haalde zelfs de roddelbladen.

En de Italiaanse?
Een echte duivin zou haar overspelige echtgenoot met rust laten en met haar rivale op de vleugel gaan, om zo de liefde voor haar man terug te winnen. Zij niet. Met leed in haar ogen zag ze het getortel van haar ex en zijn nieuwe geliefde aan en keek blij op als hij een beetje in haar buurt kwam. Verdrietig wendde zij haar koppie af als ze het nieuwe vrouwtje weer naar hem toe zag trippelen.
Ze vulde haar dagen maar met het toezicht houden op de kindjes, die door hun bandeloze mama aan hun lot waren overgelaten. Bracht nog wat afleiding ook.

Het was slechts voor een korte periode dat de Italiaanse voor de kindjes van het nieuwe vrouwtje moest zorgen. De één na de ander verliet het “ouderlijk” huis omdat zij dachten dat het ergens anders beter vertoeven was. Dat de bandeloze mama toch nog liefde voor haar uitgevlogen kindjes voelde bleek uit het feit dat zij, overmand door verdriet van het lege nest, op een kwade ochtend haar heil zocht in de duivenhemel. De Italiaan stortte niet in van verdriet door het overlijden van zijn nieuwe liefde, maar deed onmiddellijk pogingen om de genegenheid van zijn ex te herwinnen. Aarzelend en voorzichtig begonnen die twee aan een herstart van hun relatie en slechts na enkele dagen was hun verhouding weer als voorheen. Zij besloten om met een schone lei te beginnen want één dag voor de Kerstdagen namen ook zij het duivenpad om elders een nieuw leven te beginnen. Dat was een onverstandig besluit zo vlak voor de Vreetdagen. Het risico om uit de lucht geschoten te worden en gebakken op een bordje te belanden is groot in het jaaglustige Wallonië.
“Ik mag lije dattie zich verslikt”, sprak Mees op z’n Amsterdams, doelend op de dader die eventueel zijn duiven had neergeschoten en verorberd.

Of de twee Italiaanse Meeuwtjes inderdaad tot Kerstvoedsel voor de mens waren getransformeerd zal altijd een vraag blijven. Mees had in ieder geval zijn buik vol van duiven houden, brak gefrustreerd het duivenverblijf weer af en stortte zich op een nieuwe hobby: vliegvissen!
Maar daarover later.

16) Men neme...

Het was anno 1978 toen echtgenoot Mees het voor het eerst zelf had gedaan. Heel paradoxaal, tijdens een korte vakantie in de Ardennen, niet wetende dat hij daar jaren later zelf zou wonen. Hoewel het resultaat nihil was, werden de attributen zuinig bewaard. Er werd echter nooit meer gebruik van gemaakt. Dat deed hem besluiten om de hele troep maar aan een kennis te verkopen. Totdat hij de smaak weer te pakken kreeg toen hij zich permanent in de Ardennen had gevestigd. De verkochte troep werd terug gekocht en hij kon bijna vlak voor de deur van hun huisje weer gaan vliegvissen. Na de frustrerende ervaring van duiven houden, had hij immers zijn buik vol van dat gevederd vee. Maar voordat hij kon gaan vissen, moest er wel het één en ander geregeld worden.

Vergunningen
"Om geen bekeuringen op te lopen moet men een visvergunning hebben van het Waals Gewest.. Een Permis B geeft de visser de mogelijkheid om te waden, in tegenstelling tot Permis A. Met laatstgenoemde vergunning mag men alleen vanaf de oever vissen, al dan niet zittend op een visstoeltje.
Denk niet dat men met Permis A of B in alle Waalse wateren mag vissen. Er zijn beekjes, riviertjes en slootjes die gepacht zijn door een visvereniging. Indien men in die wateren zijn geluk wil beproeven, moet men dus ook lid worden van de desbetreffende vereniging".


Mees kocht een Permis B bij het postkantoor en beperkte zijn lidmaatschap tot twee verenigingen. Zodoende kon hij in drie rivieren vissen want verandering van spijs doet vissen! Dat hij slechts lid werd van twee verenigingen, had zo zijn reden. Om te voorkomen dat hij meer tijd kwijt was aan het bijwonen van Algemene Ledenvergaderingen, jaarlijkse feestavonden, het helpen bij het visuitzetten of het assisteren bij oeverreinigingen, dan aan het vliegvissen zelf, vond hij twee verenigingen meer dan zat.
Onze schoonzoon André, die inmiddels ook besmet was met het VliegVisVirus, maakte het wel erg bont. Elke vereniging, ook die in Nederland, die zich maar een beetje met vliegvissen bezighield, kon op zijn lidmaatschap rekenen.
Om zijn visgrenzen te verleggen schafte Mees zich nog een vergunning aan in Duitsland.
Gelukkig is hij geen inwoner van Duitsland anders was hij nog verplicht geweest een cursus te volgen. Wat die cursus precies inhoudt, is hem onbekend maar het zal wel zoiets zijn als: “Vis-Vriendelijk-Vissen-Vangen”
Er was wel één regel waar hij zich aan moest houden: een waadstok is daar verplicht. Dit om te voorkomen dat je tijdens het waden uitglijdt over de glibberige, gladde stenen, een hersenschudding oploopt en stiekem verdrinkt. Mees gebruikte hiervoor zijn oude, Zwitserse bergwandelstok.

De outfit.
“Het is af te raden om in een spijkerbroek en wit T-shirt te gaan vliegvissen. Men dient één te zijn met de natuur. Men moet er dus uit zien als een boom of struik.”

Zodoende werden er door Mees diverse kledingstukken in schutkleuren aangeschaft, die hem het aanzien gaf als een lid van een SEAL-team. Slechts de camouflagecrème voor zijn gezicht liet hij achterwege.

“Ook dient men er voor te zorgen dat er niets van wat je draagt kan reflecteren in het water. Schittering van horloges of brillen boezemt de vis angst in.”

Dus ontdeed hij zich tijdens het vissen van zijn horloge maar de bril bleef op zijn neus, want zonder bril…

“Daar men meestal wadend vliegvist, zijn sandalen of teenslippers niet aan te bevelen. Om droge voeten en benen te houden draagt men minimaal lieslaarzen. Echte fanatiekelingen hijsen zich in een waadpak, die de visser droog houdt van tenen tot oksels.”

Mees beperkte zich tot de lieslaarzen. Ook het obligatoire vishoedje droeg hij niet. Slechts als de zon irritant in het water schitterde, zette hij zijn camouflagepetje op.
Uitgerust met de nodige vergunningen en outfit, spoedde Mees zich regelmatig naar zijn visstekkies, mij niet eenzaam, maar gniffelend achterlatend. (Kon ik eindelijk zonder schuldgevoel de hele dag lezen).

17) Men neme...nog meer

Nu echtgenoot Mees alle visvergunningen in zijn bezit had die nodig waren om boetevrij te kunnen vissen en zijn outfit had aangepast, trok hij er regelmatig op uit om zijn geluk te beproeven op het vangen van forel, vlagzalm of eender welke vis dan ook.

“Dit soort vissen vangt men het best met namaakinsecten, kortweg vliegjes genoemd”.

Mees had tussen neus en lippen door al voor een maandinkomen van die beesten aangeschaft en kon zich zodoende verheugen op een bonte verzameling. Dat was wel nodig want voor iedere maand, weersomstandigheid of tijdstip van de dag, dient het juiste vliegje aangebonden te worden. Dat had tot gevolg dat hij het grootste gedeelte van de dag aan het vliegjewisselen was. Die namaakinsecten kan je in hengelsportzaken, maar ook via webshops kopen. Dat hield in dat hij regelmatig op de sites van hengelsportartikelen aan het neuzen was tot mijn grote ergernis: ik kon niet verder kon met mijn schrijverij.
Die vliegjes zien er uit als frivole oorbellen of als versiering voor in de kerstboom. Ook hebben zij kleurrijke, bizarre benamingen: Red Tag en zelfs: Green Devil

“Men kan te allen tijde ook zelf vliegjes maken, wat originaliteit tot gevolg heeft, evenals geldbesparing. (officiële benaming: vliegjes binden)”.

Mees had al een starterset maar de benodigde veertjes, haartjes en pluumpjes moesten daar nog bij worden aangeschaft. Nu bezat ik uit een grijs verleden nog wel diverse kleuren breigaren en borduurzijde, maar dat voldeed niet.
Hertenhaar was het beste. Dat soort dieren hadden wij nog niet en om nou een hertje aan te schaffen alleen om zijn vacht, leek ons wel wat overdreven.
“Nou, dan knip ik toch een stuk van Indy zijn sik af”, zei Mees doelend op hun dwergbokje, “dat ding zal wel weer aangroeien”.  Ik verzocht hem dringend van dat idee af te stappen.
Toen Mees het probleem “hertenhaar” eens aansneed bij de VliegVisVirus geïnfecteerde schoonzoon André, wierpen de twee heren opeens een tersluikse blik op mijn haardos. Dat lijkt nog het meest op een stugge stoffer = hertenhaar. Nadat de heren mij hadden verleid tot het drinken van vele glaasjes Muier Schipper Bitter, moest ik er aan geloven.
De volgende ochtend aanschouwde ik mijn spiegelbeeld en schrok ik nog erger dan normaal. Ik was er zeker van dat ik die dag een échte “bad-hair-day” zou hebben.
Het zelf binden van vliegen was, ondanks het gebruik van mijn haardos, geen succes zodat hij het toch maar bij de gekochte vliegjes hield.

Mees moest ook altijd goed uitkijken waar hij stond: niet te dicht bij bomen of struikgewas. Maar ondanks die voorzorgsmaatregel gebeurde het wel eens dat hij zijn lijn zodanig wierp, dat die om een tak werd geslingerd. Gevolg: vliegje verspeeld en de lijn weer wat korter. Stond er een stevige wind dan ging de lijn écht een eigen leven leiden, wat ook verspeelde vliegjes tot gevolg had.
Om het aantal verspeelde vliegjes zo laag mogelijk te houden trok Mees er dikwijls op uit om de verlorenen terug te vinden. En vaak gebeurde het dat hij met méér vliegjes thuis kwam dan dat hij had verspeeld. Andere vliegvissers waren waarschijnlijk geen zuinige Hollanders.

Hoewel de oude hengel van Mees nog goed functioneerde was dat ding in de loop der jaren hopeloos ouderwets geworden. Er bestonden nu betere hengels.
Op aanraden van schoonzoon André, ging Mees diverse vliegvis-sites bezoeken. En wat hij zocht en vond, kocht hij: Hengel nummer twee. Dat die hengel eigenlijk wat te lang was voor smalle beekjes kwam hij later pas achter. Zodoende moest hij zich tijdens het werpen in de vreemdste houdingen vouwen om te voorkomen dat zijn vliegje aan de overkant een suffe koe aan het schrikken zou maken. Een bijkomend nadeel van deze manier van werpen was dat de rug van Mees vreemde krommingen ging vertonen. Hengel nummer drie was korter. Deze was zeer geschikt om te vissen in smalle wateren maar schoot letterlijk en figuurlijk wat te kort in de Duitse rivier de “Kyll”, die aanzienlijk breder was. Zijn tweede hengel kon hij daar wel gebruiken maar die ene, op de VliegVisArtikelen-site gevonden Super De Luxe Altijd Beet Hengel, was toch wel het summum!
En zo kwam hengel nummer vier in zijn bezit.

Het is maar goed dat wij een bestelautootje hebben. Als Mees een dag gaat vissen is er heel wat mee te sjouwen. Naast de vier hengels (je weet maar nooit) moet natuurlijk het visvest mee. Deze is voorzien van tientallen zakken en behangen met diverse soorten precisie instrumentjes waar een chirurg jaloers op zou zijn. De rolmaat neemt een prominente plaats in. De gevangen vis moet gemeten worden, al is het alleen maar voor de statistieken van Mees. Verder moet de waadstok mee, het schepnet, eten en drinken en niet te vergeten, een reserve pakje shag. Als je n.l. aan de waterkant je pakje shag laat vallen is de kans groot dat het ín het water valt. En aangezien Mees altijd in snelstromende riviertjes vist moet je een snel reactievermogen hebben om op tijd een snoekduik te kunnen nemen om het verlorene in de lurven te grijpen. Die ene keer dat hij zijn pakje shag liet vallen greep hij dan ook mis. En vissen zonder sjekkie in je mond is eigenlijk niet echt vissen.

In het begin nam hij nog wel onze digitale camera mee om zijn vangst op de gevoelige memorystick vast te leggen, maar de angst dat die ook een keer te water zou geraken, was groot. Daarom schafte Mees zich een nieuwe, waterdichte GSM aan, waar ook foto’s mee gemaakt kunnen worden. En zo geschiedde het dat hij regelmatig thuis kwam met afbeeldingen van zijn vangst. Ook maakte hij foto’s van niet-visachtigen. Toen hij op een dag een bever bij zijn visstekkie aantrof, moest dat beest gefotografeerd worden als bewijs. Ik zou hem anders toch niet geloven. Dat Mees vooral foto’s maakt van zijn vangst is omdat hij netjes zijn gevangen vissen meteen weer in hun leefgebied vrij laat.
Hij vist immers in een “No-Kill” zone en respecteert op deze manier het zesde gebod uit de Bijbel: “Gij zult niet doden”.

18) Bijzondere omstandigheden

“Vliegvissen kan niet te allen tijde uitgevoerd worden! Men is zeer afhankelijk van bepaalde omstandigheden. Die lopen uiteen van meteorologische omstandigheden tot viswater omstandigheden.”

Indien het hard waait zie je echtgenoot Mees zelden aan de waterkant zijn sport beoefenen. Het is dan bijna onmogelijk om het vliegje juist dáár te laten neerkomen op die ene, zeer belovende plek. Het vliegje komt dan meestal in een boom of struik terecht. Daarbij moet worden vermeld dat de boomblaadjes, die daardoor in het water geraken, een storende invloed hebben op de vangst.
Wanneer de zon schijnt is hij verplicht zijn gevechtspetje op te zetten. Hij wordt anders verblind door de schittering van de zon in het water. En dat heeft dan een nadelige invloed op de vangstquota. Mees zit dus echt niet op zonnig weer te wachten als hij gaat vliegvisssen, want hij verafschuwt het dragen van een petje.
Indien het regent, zie je hem ook niet. In tegenstelling tot het “gewone” vissen is een paraplu bij het vliegvissen zeer onhandig. Men heeft n.l. steeds twee handen nodig bij deze vissport. Op zijn vraag of ik dan mee wil gaan…….Nee, ik vertik het om de paraplu boven zijn hoofd te houden.
In de wintermaanden laat Mees zijn hengels al bij voorbaat op stal staan. Eén keer ging “VliegVisVirus” geïnfecteerde schoonzoon André toch in de wintermaanden vliegvissen maar kwam al snel weerom naar ons warme stulpje. Zowel zijn vliegenlijn als zijn vingers vertoonden bevriezingsverschijnselen. Een reden waarom Mees bij lage temperaturen niet gaat vliegvissen.

Ook het viswater kan zodanig zijn, dat de omstandigheden niet gunstig zijn om te vliegvissen. Is de waterstand te laag dan is het moeilijk vissen. De beestjes trekken zich dan terug in een, voor een visser, onvindbare plek. Ook is dan de stroomsnelheid veel te traag waardoor de vissen passief gedrag vertonen.
Heeft het dan eindelijk na vele smeekbedes van de vliegvissers flink geregend, dient zich het volgende probleem aan: het water ziet eruit als chocolademelk. Door die verkleuring kunnen de vissen absoluut niet waarnemen dat er voor hun een lekker hapje op het wateroppervlak ligt te wachten.
Is het water na enkele dagen weer glashelder geworden, houdt dat niet in dat de omstandigheid ideaal is: de vissen kunnen de visser zien. Daarnaast is de stroomsnelheid zodanig toegenomen, dat de visser met geen mogelijkheid zijn vliegje met zijn ogen kan volgen.
Een ander storend element tijdens het vissen zijn de kayakkers. Deze sportievelingen presteren het om dikwijls het visplezier van Mees en zijn viskornuiten te verzieken. Met veel lawaai, gespetter en geplons varen zij “rustig” over vislijnen heen en verjagen de vis. Menigmaal had hij de neiging om zijn lijn zodanig te werpen dat hij een kayakvaarder aan de haak kon slaan.

Alle weersomstandigheden, waterkwaliteiten, vangstresultaten en visstekken worden door Mees nauwkeurig bijgehouden in een visschema. Maar er is tot op de dag van vandaag geen enkele overeenkomst te vinden in de omstandigheid wanneer de vangst goed of slecht is.
Uit bovenstaande is nu wel duidelijk geworden dat iedere vliegvisser, dus ook Mees, wel een excuus heeft als hij weinig… of niets heeft gevangen.

19) Bijkomende bijkomstigheden

Hè, gezellig” zei ik genietend, toen ik een keer samen met echtgenoot Mees aan het lezen was. Ik, die verslaafd ben aan het verorberen van lettertjes, geniet van zo’n zeldzaam moment. Mees is niet écht een lezer. Slechts het Hubo of Dema krantje kunnen op de welwillendheid van zijn ogen rekenen. Hij heeft immers als ex-graficus te veel lettertjes gezien. Maar sinds hij weer de sport “Vliegvissen” beoefent, maken zijn ogen regelmatig overuren. Naast de verzameling hengels, vliegjes en andere benodigdheden om te kunnen vliegvissen, heeft hij ook een aantal naslagwerken aangeschaft. Daarin wordt vermeld hoe je op de beste manier de meeste vissen kunt vangen. De hoeveelheid boeken die hij inmiddels heeft aangeschaft, overtreft het aantal dat in een gemiddelde bibliotheek te vinden is. Ik vind het allang best. Eindelijk is het niet nodig om me schuldig te voelen als ik weer eens zit te lezen.

Een andere leuke bijkomstigheid is dat wij er soms samen op uittrekken. Niet dat ik mee ga als Mees in de buurt zijn visgeluk gaat beproeven. Dan ga ik lekker lezen. Maar als hij in Duitsland gaat vissen, ben ik er wel voor te porren om mee te gaan.
De nieuwe, voor deze gelegenheden, aangeschafte koelbox wordt dan zorgvuldig gevuld met vloeibare en vaste voedingsmiddelen zodat het niet nodig is om op een “drogie” te zitten.
Die dag wordt door Mees vissend doorgebracht terwijl ik me tegoed doe aan mijn zoveelste boek. Maar de wetenschap dat we samen op pad zijn brengt bij ons een gevoel van saamhorigheid te weeg. De dag wordt meestal afgesloten met een eenvoudig etentje “buiten de deur”. Eigenlijk is dat etentje voor mij het hoogtepunt van de dag: ik heb n.l. een grote afschuw van in-de-keuken-staan (koken).

Minder leuk vind ik het dat Mees nu ook regelmatig in de huiskamer gaat vissen.
Hij laat weliswaar de vissen in hun tropisch aquarium met rust maar neemt wel weer bezit van de computer. Mees heeft n.l. een digitaal vliegvisspel aangeschaft zodat hij in de wintermaanden, bij slechte weersomstandigheden of in donkere avond-uren, toch kan vliegvissen “op” de computer! Het spel is een reële weergave van het echte vliegvissen. Tijdens het vissen hoor je rivieren stromen, vogels fluiten en zelfs de stem van iemand die je van goede, ongevraagde raad voorziet. Hij bestookt je met tips maar complimenteert je ook met je vangst. Wanneer schoonzoon André tijdens de wintermaanden in hun huisje te gast is, spelen beide vissers, als uitgelaten pubers, een viscompetitie. Als zij hun omgeving - de knusse, warme huiskamer - dan zijn vergeten en in de veronderstelling verkeren dat zij aan de waterkant staan, hebben dochter Lisa en ik de gelegenheid om een nieuwe fietsroute te bestuderen.

“Een minder leuke bijkomstigheid is dat het vliegvissen een bijzonder zware inspanning vraagt van enkele spieren die de mens, dus ook de vliegvisser, bezit. Het zijn vooral de beenspieren die er flink van langs krijgen. Het is n.l. zeer vermoeiend om uren, tot je knieën in een snelstromend riviertje, een verticale houding aan te blijven nemen. De druk die het water op de benen uitoefent is gigantisch”.

Het gebeurt dan ook regelmatig dat Mees “dodelijk vermoeid” huiswaarts keert na een dagje vissen. Een voordeel heeft het ook: hij heeft nu de benen van een profvoetballer!

“Een andere spier die veel te verduren krijgt bevindt zich tussen de schouderbladen, de zgn. monnikskapspier.
Omdat men bij het vliegvissen om de paar seconden de lijn opnieuw moet werpen, wordt ook van deze spier een maximale inspanning verwacht. Vooral als het visseizoen pas is begonnen, zit die spier nog wat vast, zo na de winterstop”.


Mees komt daarom na de winterstop, in een zeer vreemde houding weer thuis van zijn eerste middagje vissen. Hij lijkt dan een beetje op “De gebochelde van de Notre Dame”. Maar dat heeft hij er wel voor over: hij vindt dat ik heerlijk kan masseren!

Uit dit, en voorgaande verhaaltjes over vliegvissen, blijkt wel dat dit niet de meest rustige manier van vissen is. Geen gestaar naar een dobbertje, half suffend, zittend op een visstoeltje, beschermd door een mega parasol/paraplu en een biertje binnen handbereik.
Vliegvissen is volgens vliegvissers een “intensieve, energievretende en zeer vermoeiende” tak van sport, die ik nu verder laat rusten.

20) Natuurramp

Overspoeld door een enorme golf van medelijden sloeg ik het jonge paar op gepaste afstand gade. Zij hadden elkaar stevig omarmd en uit de ogen van de jonge vrouw stroomden tranen die getuigden van een groot verdriet. Overmand door een enorm gevoel van hulpeloosheid probeerde de jonge man haar met lieve woordjes te troosten. Het mocht niet baten, ze was ontroostbaar. Het hele gebied waar eens hun huis had gestaan, was verdwenen. In de vroege ochtend waren zij nog op zoek gegaan naar passende vloerbedekking maar toen zij thuiskwamen was er niets meer over van hun liefdesnestje. Hun huis, waar ze zoveel tijd en energie in hadden gestoken om het naar hun zin op te bouwen, was weg. Met verstikte stem sprak zei: “Ach, wij kunnen nog wel onder de blote hemel slapen maar onze toekomstige kinderen hebben toch een warme kamer en een dak boven hun hoofd nodig”.

Zij waren niet alleen met hun verdriet. Ook andere buurtbewoners keken met lede ogen naar de plek waar eens hun huis had gestaan. Dat bracht een groot gevoel van solidariteit bij de slachtoffers. Men probeerde elkaar moed in te spreken en beloofde elkaar te helpen met het zoeken naar een andere plek om daar opnieuw met bouwen te beginnen. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. In de naaste omgeving werd druk gebouwd door andere bewoners die geen last hadden gehad van de verwoesting. Veel plek was er daarom niet meer vrij. Als de slachtoffers in de buurt kwamen van de andere bewoners kwam al snel het territoriumgedrag om de hoek kijken. Ruzies en vechtpartijen waren nu aan de orde van de dag. De scheldkanonnades vlogen over en weer en menigeen moest een veer laten om zijn of haar gelijk te krijgen. Het echtpaar dat zoveel medelijden bij mij had opgewekt, koos het hazenpad; ik heb het koppel pas later weer terug gezien.

Andere bewoners uit die streek hadden meer geluk. Hun huis was gespaard gebleven van het geweld en de vernietiging. Zij hadden immers een degelijk huis, dat net buiten de gevarenzone was gebouwd. De aannemer had er voor gezorgd dat hun onderkomen als veilig was geclassificeerd. Wel keken die huizenbezitters vol afgrijzen naar de veldslag die geleverd werd bij hun buurtbewoners. Zoveel lawaai en vernielzucht hadden zij nog nooit meegemaakt: er was gewoon een totale kaalslag geleverd.

Ons huis bleef ook ongemoeid. De grootste ellende voor ons was dat wij, voor ons doen, vreselijk vroeg gewekt werden. Nieuwsgierig wat het lawaai veroorzaakte, sprongen wij uit bed en renden naar het slaapkamerraam. Wat we toen zagen deed onze onderkaak verhuizen naar onze hielen: op het perceel naast ons was men rigoureus naaldbomen aan het kappen. En dat in de periode dat de meeste vogels druk zijn met hun nest te bouwen !!!
Dat deed mij beseffen dat er veel vogelparen in de problemen waren gekomen.
Ik begon mij een voorstelling te maken wat er door de vogels heen was gegaan toen zij merkten dat de plek waar zij hun nest hadden gebouwd, met de grond gelijk werd gemaakt.

De kool- pimpel- en zwartkopmezen hadden het geluk dat ze in een degelijk huisje hun nest hadden gebouwd. Ze hingen aan bomen die op ons perceel grond stonden, zodoende hadden zij geen last van de vernielingen.
Het echtpaar duif uit bovenstaande gebeurtenis ging echt op zoek naar een andere boom, net als een paar roekenkoppels. De nieuwe bomen, waar zij hun nest in wilden bouwen, waren helaas al bezet door diverse eksterparen. Het duivenechtpaar koos eieren voor zijn geld en legden die in een nest dat zij vol ijver opnieuw in een andere boom hadden gebouwd.
Enkele dagen lang hebben wij het koppel kunnen gadeslaan bij de bouw van hun nieuwe houten chalet. Gelukkig waren het houtduiven zodat de bouw voor hun een fluitje van een cent was. Daarbij kregen zij hulp van de spechten die het timmeren voor hun rekening namen. Zelfs onze volop verharende honden kwamen nu goed van pas. Zij stonden hun overtollige haren spontaan aan de duiven af. Met een gerust hart kon ik vaststellen dat alles toch nog tot een goed einde was gekomen. Nu restte slechts het wachten op de nieuwgeborenen.

21) Kerstkindje

In de zomer van 2006 vertoonde het dwergbokje Indy een vreemd gedrag. Hij liep constant, al kwakend en keffend, de Waalse Belgin Jansie achterna. Ook deed hij pogingen om haar te bespringen en was niet van haar zijde weg te slaan. Jansie liet het allemaal gelaten over zich heen komen maar of Indy zich van zijn plicht had gekweten, was niemand duidelijk. Jansie werd wel wat dikker, vooral aan haar rechterflank en haar uier transformeerde zich tot formaat voetbal. Een zwangerschap was niet uitgesloten.

Op tweede kerstdag 2006, was het buiten nat en koud maar binnen was het warm.
Ik zat weer eens een verhaaltje te schrijven toen ik buiten een vreemd gekrijs hoorde. Dat geluid ging steeds meer op geitengemekker lijken, vermengd met luid schapengeblaat. Vlug ging ik naar de stallen: er was tenslotte een geit drachtig. Wat ik toen zag, ging mijn verstand te boven: Eén kluwen in paniek bewegende dieren, een bok die een barende geit wilde verkrachten en een geit die daarvoor op de vlucht sloeg. Samen met echtgenoot Mees snelde ik naar buiten om orde op zaken te stellen. Door de panieksituatie die er heerste, floepte het lammetje uit de barende, wegrennende geit, precies in de deuropening van de stal.
Om te voorkomen dat het kleintje vertrapt zou worden door de andere dieren, tilde ik het met een dikke laag stro op en legde het lammetje in een veilig hoekje van de stal. Meteen maakte ik het neusje en mondje vrij van de nog aanwezige vliezen. Ook begon ik de pasgeborene met stro droog te wrijven. Moeder Jansie kon gelukkig naar binnen gelokt worden en nam gelijk mijn bezigheid over. Toen bij ons de emoties een beetje tot rust waren gekomen en de andere dieren buitengesloten, besloten wij om een gedeelte van de stal af te schermen. Dit ter beveiliging én de rust voor moeder en kind. Kraamvisite krijgen is misschien wel leuk, maar als die visite het welverdiende hooi van de kraamvrouw gaat opeten en de jonge vader het alleen maar leuk vindt om de kraamvrouw opnieuw lastig te vallen, is dat niet écht chic.

Gedurende vier weken leefden moeder en kind, die als Karel de Grote verder door het leven moest gaan, in de afgeschermde ruimte, tot ieders tevredenheid.
Een eerdere poging om moeder en kind met de andere dieren te mengen was geen succes: het kleintje werd gelijk op de horens genomen door zijn pa, die zijn zoon als rivaal beschouwde. En de kraamvrouw? Die werd bijna wéér verkracht door de verwekker van haar zoon.
Het begrip “bokspringen” voerde Kareltje naar hartenlust uit op én over de rug van zijn moeder. Eenmaal op haar rug gearriveerd wist hij alleen nog niet hoe hij daar weer af moest komen. Aan eetlust had hij ook geen gebrek. Al snel at hij met smaak hooi, stro en biks. Tevens lebberde hij regelmatig de uier van zijn moeder leeg. Ondanks die goede eetlust bleef hij een ondermaats klein knuffelkonijntje en deed zodoende zijn naam geen eer aan. Toen drie weken later zijn halfbroer werd geboren, bleek al vlug dat Kareltje achter bleef in zijn groei. Misschien dat het voorjaarszonnetje hem goed zou doen.

Toen Kareltje elf maanden was, wilde hij niet meer verder leven.
De dag van zijn plotselinge overlijden brachten wij, maar ook Jansie, in mineurstemming door. In tegenstelling tot het Kameroenschaap Kira, die haar overleden kindje totaal niet miste, vertoonde Jansie enorm zoekgedrag naar haar zoontje. Gelukkig voor Jansie duurde dat zoekgedrag niet al te lang en na twee dagen van rouw, nam zij al vlug haar oude leventje op. Zelf had ik wat meer moeite met het verlies van Kareltje maar ik ben nou eenmaal een jankert.

22) Een kind vertelt

“Bijna niemand wist dat ik op komst was, alleen mijn moeder. Onze pleegouders, Mies en haar echtgenoot Mees, hadden slechts geconstateerd dat mijn moeder zich wat afzonderde van de anderen tijdens de maaltijden. Verder vertoonde zij geen zichtbare tekenen van een op handen zijnde zwangerschap, laat staan bevalling. Zelfs haar borsten waren niet vergroot en was zij ook niet aanmerkelijk dikker geworden.
Toen Mies in januari 2007 onze kamer kwam binnen rennen om te kijken wie er nu weer aan het schreeuwen was, zag zij mijn moeder in een hoek liggen. En terwijl de anderen vlug naar Mies toe liepen, in de hoop opnieuw eten te krijgen, bleef mijn moeder rustig liggen en jammerde maar door. Dat klonk haar, na drie eerdere bevallingen te hebben meegemaakt, vertrouwd in de oren. Toen zij mijn moeder naderde, zag zij een vlies uit haar lichaam hangen.Haar onderkaak zakte bijna op haar enkels.“Ooh, weer een kleintje op komst”,hoorde ik haar uitroepen, terwijl mijn moeder wee na wee kreeg en dapper lag te persen om mij op de wereld te zetten. Stukje voor stukje werd ik naar buiten getransporteerd totdat mijn hoofd buitenboord lag. Verder gebeurde er niets meer. 
Mies constateerde dat verdere weeën achterwege bleven en vond dat geen geruststellend idee. Gelukkig leefde ik nog steeds, alleen het ademhalen ging wat moeilijk. Dat verhielp zij door mijn neus en mond vrij te maken van slijm en vliesresten. Al met al een onaangename situatie voor mij, want ik wilde eruit. Mijn moeder had het persen opgegeven en lag wat doelloos voor zich uit te staren.
Plotseling hoorde ik de stem van Mies in een voor mij onbekende taal iets zeggen in een apparaatje. Later vertelde mijn moeder, die tweetalig is, dat zij de arts had gebeld met het verzoek om zo snel mogelijk naar de kraamkamer te komen. Zij vreesde voor het leven van mij én nare complicaties voor mijn moeder.

Die man kwam al na tien minuten de kamer inlopen en voelde ik twee koude handen om mijn nek. De man begon zachtjes aan mij te trekken en bracht mij levend op de wereld. Dit tot grote verbazing van Mies, die de hoop al had opgegeven. Maar ik was een gezonde jongen met alles erop, eraan én eronder en ik bleek als Floris de Vijfde (hoe verzinnen ze het) door het leven te moeten gaan.
Pas na vijf minuten werd mijn moeder toch wel nieuwsgierig naar wat daar naast haar lag te kroelen en begon mij wat aarzelend te strelen. Voorzichtig probeerde ik de borst van mijn moeder te vinden want door al dat gedoe had ik enorme honger gekregen. Helaas lukte het mij niet om de tepel te vinden omdat mijn moeder zich steeds omdraaide. Totdat Mies mij de helpende hand toereikte en hap, hebbes. Zo, dat smaakt.
Ondertussen stonden Mies en die man nog wat te kletsen over een “chambre séparée” (aparte ruimte) die voor mij en mijn moeder gemaakt moest worden. Zo konden wij goed aan elkaar wennen en kon ik niet in de verdrukking komen door de overige kamerbewoners. Tevens kon mijn vader ook niet opnieuw een bevruchtingsritueel uitvoeren, want die lust er wel pap van!

Toen die man weg was, heeft Mies mij verder verzorgd, want mijn moeder kon dat door vermoeidheid niet meer opbrengen. Met veel attributen en een schroef/boormachine, heeft zij diezelfde avond nog een identieke ruimte gemaakt, zoals mijn tante en mijn halfbroertje hebben. Maar zo mooi als het kamertje van mijn broertje was, die van mij leek wel een bouwval: alles schots en scheef, en bij elkaar gehouden met wat oude schroeven. Het ontbrak er nog maar aan dat Mies plakband had gebruikt. Twee weken later verwijderde Mees de tijdelijke muur tussen de twee aparte ruimten. Zodoende kon ik fijn spelen met mijn “grote” halfbroer want mijn moeder is niet zo’n spelletjesmoeder.
Straks lopen er dus drie bokken in de wei bij Mees en Mies. Zowel mijn halfbroertje Kareltje als ik, vrezen voor ons klokkenspel, maar daarover later nog. Voorlopig laat ik mijn klokken nog luiden.”

(Dit verslag van Floris de Vijfde werd opgetekend door Mies.Wie Kareltje is kunt u lezen in het verhaaltje “Kerstkindje”)

23) Zwembad in de tuin

Of men nu een tuintje in Almere heeft van twee bij twee meter, grootgrond bezitter bent met 10.000m2 tot je beschikking of in de Alpen woont met een hellingspercentage van 45°, men heeft Een Zwembad In De Tuin, compleet met verlichting, streamers en andere moderne, niet te spellen, innovatieve toepassingen.
Vaak is zo’n zwembad ingegraven of bovengronds opgesteld. Ook het materiaal is erg uiteenlopend. Dat varieert van beton, folie, rubber of plastic (te koop bij Blokker).
Natuurlijk moet het bad twaalf maanden per jaar gebruikt kunnen worden, dus het water moet ook verwarmd zijn. Dan moet men zonnecollectoren, verwarmingsbuizen c.q. slangen plaatsen, of er simpelweg een keteltje heet water in mieteren. Maar er moet gezwommen kunnen worden! Ook moet het zwembad, indien buiten gebruik, beschermd worden tegen blaadjes, takjes of andere verontreinigende elementen, zoals eenden die een bad willen nemen. Het afschermen kan met volautomatische luiken, handbediende luiken of met een stuk bouwfolie (te koop bij de Gamma).

Ook bij ons viel wel eens het begrip “Zwembad”, maar alleen op dié schaarse dagen, dat het erg warm was. Vooral onze kinderen voelden het ontbreken van Een Zwembad In De Tuin bij ons huis in de Ardennen als een groot gemis. Soms compenseerden zij dat met een “Blokkerbadje” met een doorsnee van 1,5m. Met veel passen en meten, duw- en trekwerk en een hoop aanpassingsvermogen, pasten daar al gauw zes volwassenen in. Wij zagen echter geen heil in een zwembad. Wij herinnerden ons nog levendig hoe het was om zo’n ding proper te houden uit onze campingtijd in Frankrijk:
- het oppervlak moest regelmatig schoongevist worden met een schepnetje (blaadjes, takjes, eendjes)
- dagelijks moest de bodem gestofzuigd worden (badslippers, zwembroeken, badmutsen)
- het water zelf moest steeds voorzien worden van de meest dodelijke chemicaliën om het helder en bacterievrij te houden.

Om tegemoet te komen aan de wensen (bijna eisen) van onze kinderen, besloten wij om toch maar een zwembad te laten bouwen.
Een offerte van een Hollandse zwembadspecialist werd van de hand gewezen en zelfs "Tagthor Outdoor Living", het zwembadbedrijf van één van onze schoonzoons, kon geen order in de wacht slepen. De creatieve geest van echtgenoot Mees maakte overuren omdat zijn bad geen gewoon zwembad mocht worden. Daarbij kwam nog dat het zwembad in de dierenwei zou komen. Het moest dus ook ezel-, schapen- en geitenproef zijn. Hij ging zelf wat construeren. Een bijkomend voordeel was dat voor zijn ontwerp geen bouwvergunning nodig was, waar men normaal gesproken maanden op moet wachten.
Het werd gemaakt van roestvrijstaal, wat er toe bijdroeg dat het water lang warm bleef. Tevens werd het voorzien van een teflon anti-aanbaklaag. Dat had als voordeel dat het onmogelijk was om op de bodem vast te blijven plakken, wat het verdrinkingsgevaar in hoge mate beperkte. Ook werd het niet ingegraven of bovengronds geplaatst. Het hing in een houten constructie en het geheel was gemonteerd op een enorme boomstam. Een afdekmechanisme werd niet gemonteerd want het zwembad zou 365 dagen per jaar dienst moeten doen. De sfeervolle verlichting bleef ook achterwege. In het donker zwemmen heeft zo zijn voordelen!

Vanaf de dag dat het bad werd opengesteld, hebben al de nodige poedelbeurten plaatsgevonden en niet alleen bij mooi weer. Het waren slechts de, toen nog aanwezige, duiven die regelmatig gebruik maakten van Het Duivenbadje In De Tuin.

24) Klokkengebeier

Er is aanmerkelijk minder lawaai te horen in én rond het dorp waar wij wonen. Dat is te danken aan het feit dat de herrie, veroorzaakt door klokkengebeier, is afgenomen. Niet dat de dorpskerk is afgebroken of dat de klokkenluider de geest heeft gegeven. Het gebeier werd n.l. niet alleen veroorzaakt door de kerkklokken maar ook door verschillende dragers van een klokkenspel: Iwan de Siberische Husky, Simba de dwergezelhengst en Indy, Karel de Grote en Floris de Vijfde de drie dwergbokjes.
Aangezien het lawaai van dit klokkengebeier op laatst oorverdovend werd, zowel voor de omgeving als voor onszelf, besloten wij daar maatregelen tegen te nemen.
Iwan lieten wij ongemoeid: zijn rasgenoot en zusje kan toch niet meer voor nakomelingen zorgen. Simba bleef ook gevrijwaard: dwergezelveulens waren er nog niet, maar wél zeer welkom. Een goede fokbok blijft altijd nuttig dus ook Indy ontsnapte aan die bok-onterende ingreep. Zodoende moesten zijn beide zoons, Kareltje en Floris, er aan geloven.
Om ze te onderwerpen aan de wrede wensen der mensheid moesten wij de ongelukkigen eerst zien te vangen, wat een vermakelijkheid op zich was.

Acht dieren in een stal van drie bij vier meter gaat prima maar niet als je er twee tussenuit moet plukken. Tweeëndertig rennende poten doen heel wat stof op waaien en de kans dat je dan de verkeerde vangt, is in hoge mate aanwezig.
De zes die op vrijersvoeten mochten blijven, lokten echtgenoot Mees en ik met een list naar buiten. Dat leidde tot protest bij de respectievelijke moeders, Jansie en Dolan, maar uiteraard ook bij de slachtoffers. Kareltje liet zich evenwel vrij eenvoudig vangen. Hij liet slechts wat zwak gemekker horen maar voelde zich al snel veilig in mijn armen en vlug zette ik hem in de auto. Bij Floris was het haast noodzakelijk om een vlindernetje te gebruiken. Doordat wij enkele snoekduiken namen, lukte het ons toch om hem te vangen. Zwak gemekker was op hem niet van toepassing: een mager speenvarken, op weg naar de slachtbank, maakt minder herrie. Maar eenmaal bij Kareltje in de auto zijnde, hield hij toch zijn grote waffel.
De moeders slaakten een zucht van verlichting aangezien aan hun verantwoordelijkheid nu een einde was gekomen.(dachten zij).

Aangekomen bij de veearts, moesten we opnieuw vangkunsten uitvoeren maar dat leverde minder problemen op. Floris hervatte wel zijn gekrijs, dat bij iedereen door merg en been ging zodat de veearts eerst hem het zwijgen oplegde. Na de weegprocedure kon de hoeveelheid narcosevloeistof in zijn adertje gespoten worden. Normaal zou hij binnen de tien minuten van de wereld zijn maar deze mijnheer verzette zich zodanig alsof hij aan wilde geven: Aan mijn lijf geen polonaise.
De veearts besloot om de dosis iets te verhogen, die hem uiteindelijk wel wat rustiger maakte maar nog niet in slaap. Dan Kareltje maar vast verdoven. En ja hoor, deze sukkelaar vond het allemaal best, deed al vlug zijn ogen toe en daar kwam Het Mes! (De bloederige details zal ik niet beschrijven. De mannelijke lezers zullen het misschien op hen zelf gaan projecteren). De handelingen die de veearts uitvoerden, sloeg ik aandachtig gade terwijl Mees, om begrijpelijke redenen, de kuierlatten had genomen.
Toen Floris aan de beurt was, liet ik de veearts verder met rust. Wij zouden een telefoontje zou krijgen wanneer de slachtoffers wakker genoeg waren om weer naar hun moeders terug te mogen keren.

Die moeders vertoonden bij de terugkomst van hun kroost een hoge mate van teleurstelling.
Zijn we nog niet van die zuigelingen verlost! zag je ze denken maar zoals een goede moeder betaamt, legden zij zich al snel bij de situatie neer. Zij besnuffelden uitbundig hun kleintjes en lieten hun uiers met liefde leegdrinken.
En de kleine mannekens zelf?
Floris hoor je niet meer kwaken of keffen als er één van de dames tochtig is. Ook oefent hij zijn geslachtsdrift niet meer op Kareltje. Hij heeft er zelfs geen post-traumatisch-stress-stoornis aan over gehouden. Kareltje doorstond ook alles zonder complicaties. Hij had geen PTSS en kwaakte of kefte toch niet. Het oefenen van de geslachtsdaad had hij zelfs nog nooit uitgevoerd. Hij was een beetje een watje maar wel erg aanhankelijk.
Het fokken is nu een beetje aan banden gelegd en de bokjes verspreiden geen bokkenlucht meer. Ze hebben toch een sik gekregen, al doet die in grootte wel wat onder als van hun vader Indy.
En het werd stiller!

25) Er is er één jarig...

Als je op je verjaardag ontwaakt, kunnen er verschillende rampen plaatsvinden.
Een ontbijt op bed bijvoorbeeld. Niets is erger dan een dienblad overvol beladen met ontbijtgenotsmiddelen die geen normaal mens vroeg in de ochtend kan verorberen en die je moet balanceren op nog twee slapende dijbenen. Voeg daarbij een omgevallen glas jus d’orange en een beschuit met jam, gevallen op je schone lakens volgens de Wet van Murphy . Een voortijdig verschonen van het bed is het resultaat.
Een andere ramp die zich kan voltrekken zijn je drie kleuters. Zij hebben het in hun zotte kop gehaald om je te verrassen met een vals gekweeld verjaardagslied. Je probeert dan een vertederde lach op je gezicht te toveren die meer weg heeft van die beruchte boer met kiespijn. Als na hun zangoptreden ook nog onderling gekibbel en gekijf plaatsvindt over de vraag wie het liedje niet goed zong, dan had je liever je verjaardag overgeslagen. Wat de meeste mensen tegenwoordig hoe langer hoe meer doen.
Wat ook onder de categorie “rampen” valt is een live optreden van de plaatselijke dorpsharmonie, met een aubade voor de jarige in de ochtend, op een veel te vroeg tijdstip . Daar je zelf nog niet geheel wakker bent, kan je ook niet verwachten dat de musici al geheel uit hun slaap zijn ontwaakt. Dat heeft tot gevolg dat er enkele valse noten te horen zijn wat voor jouw oren een aanslag is en wat je doet grijpen naar een pak watten.

Ik zou een andere ramp moeten ondergaan. Op de ochtend van mijn verjaardag, enkele jaren geleden, zou ik alléén in het grote tweepersoonsbed wakker worden. Echtgenoot Mees moest geheel volgens zijn werkrooster, die dag nog in Amsterdam zijn om zijn werkzaamheden te verrichten. Pas tegen de avond zou hij thuis kunnen zijn. Om overdag de feestdag toch nog een beetje fleur en kleur te geven had ik op voorhand buurvrouw Else uitgenodigd voor de koffie.
De dag vóór de grote dag was ik de hele dag aan het poetsen aangezien ons huis op een varkensstal leek. De stallen van de schapen, geiten en ezels zagen er schoner uit. Toen ik ‘s-avonds bijna klaar was met al dat gepoets, kreeg ik een sms-bericht.
Geïrriteerd door deze storing tijdens mijn werkzaamheden, zocht ik, zoals gewoonlijk, mijn GSM en las vol verbazing het berichtje:
“Kom eens beneden bij het hek kijken”, verzonden door Mees. Verbaasd ging ik naar buiten en onderscheidde in het donker het silhouet van de andere kant van mijn trouwboekje! Even wist ik niets te zeggen, wat uitzonderlijk voor mij is. Toen opende mijn spraaksluizen zich en ratelde ik aan één stuk door. Ik was mij bewust dat het eigenlijk steeds maar weer herhalingen waren van eerder gedane uitspraken in de trant van: “Oh, wat leuk, wat een verrassing, wat gezellig“.

Toen de rust was wedergekeerd en we gezellig samen met een borreltje zaten te genieten van elkaars gezelschap, liet Mees weten dat we de volgende dag, mijn verjaardag dus, de hort op zouden gaan om mijn verjaardagscadeautje op te halen. Daar reageerde ik in eerste instantie een beetje paniekerig op want ik dacht aan mijn afspraak met Else. Gelukkig was zij in het bezit van een telefoon en al rap had ik de afspraak met opgaaf van reden geannuleerd. Nu kwamen er duizend vragen op mij afgestormd. Wat had Mees voor mij in petto? Ik had alles al wat mijn hartje begeerde en kon zodoende geen afdoend antwoord bedenken. Aan de antwoorden van Mees had ik geen bliksem want hij bracht mij steeds verder op een dwaalspoor. Met zekerheid beloofde Mees wel dat het geen levend wezen was. En met die belofte viel ik in een droomvolle slaap waarin alles passeerde wat de verrassing zou kunnen zijn.

De volgende ochtend werd er ontbeten - niet op bed - stonden er geen kleuters te kwelen en was de dorpsharmonie gelukkig nog in diepe slaap.
Nadat alle dieren gevoederd, gedrenkt en uitgelaten waren gingen wij op pad. Ik ontplofte bijna van nieuwsgierigheid, tot groot vermaak van Mees die mij nog meer in de stress liet schieten door allerlei vage toespelingen te maken op wat mij te wachten stond. Na een uur rijden, zag ik een bord met “Aerodrôme de Spa - 5km.” erop vermeld. Ik maakte nog de flauwe opmerking of hij soms een helikopter voor mij ging kopen. Uiteraard kwam daar geen bevestigend antwoord op maar er verscheen wel een grijns op zijn gezicht. Opeens zag ik een klein vliegveldje met twee middeleeuwse straaljagers waar ik nooit van mijn leven in zou gaan om te vliegen. Toen riep ik, net iets te luid voor de oren van Mees: “Gaan we een helikoptervlucht maken?”terwijl er geen heli te zien was. Mees viel door de mand. Dagenlang had hij in het geniep alles voorbereid.

Hoe ik - en ook Mees - de rondvlucht hebben ervaren is met geen pen te beschrijven, laat staan om in woorden uit te drukken via een toetsenbord. Het doel van deze verrassing was ook een beetje in het eigen belang van Mees: hij wilde nu wel eens af zijn van mijn gezeur dat heli’s zo mooi zijn, dat ik er best wel eens in zou willen vliegen en dat ik naar buiten vloog wanneer ik er één over hoorde komen. Het beoogde resultaat werd niet behaald.
Ik wil nog een keer - en Mees eigenlijk ook.

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

24.08 | 16:43

Wat een mooie profielfoto!

...
21.04 | 08:57

Geweldige informatie voor een oma die low budget voor haar kleinzoon een kleine modelbaan wil bouwen. hartelijke dank

...
26.12 | 06:15

ik schreef al in jullie gastenboek, dat dit de mooiste baan is, die ik ooit heb gezien. Hou me op de hoogte van nieuwigheden !

...
22.09 | 18:36

Hallo Stella, Jannie en Kick, Lang geleden he? Maar plotseling dacht ik aan jullie toen ik op de verhalensite kwam. Ik genoot weer van je. Groet Cojo,

...
Je vindt deze pagina leuk