Miesjes 51 t/m 75

51) Gezinsuitbreiding

In november 2010 was Kaya, onze de Siberische Husky, al ruim dertien jaar. Geen echt ren- en speelkameraadje meer voor Scotty, onze Schotse Collie, toen drie jaar. Om te voorkomen dat hij vroegtijdig ouderdomsverschijnselen zou krijgen, dachten wij er wel eens aan om een jongere hond bij dit tweetal te voegen. Had Scotty weer eens iemand om mee te spelen.
Wij kwamen in contact met een kennis van ons, die na haar echtscheiding te klein behuisd was geworden. Haar vier Schotse Collies snakten naar wat ruimte. Zij wilde van twee honden afstand doen. Eén daarvan zou binnenkort een ander tehuis krijgen, dus er restte haar nog één. Die collie was een vrouwtje van vijf en een halfjaar, luisterde naar de naam Scarlette en maakte een rustige en aanhankelijke indruk. Zij zou misschien een gunstige invloed hebben op Scotty, die zelden rust in zijn gat heeft, blaft om alles en energie voor tien heeft. Het pakte anders uit.

Scarlette was nooit gewend om uit wandelen te gaan. Zij had bij haar vorige eigenares slechts de tuin tot haar beschikking om haar behoeftes te doen. Het kostte ons dan ook enkele dagen geduld en doorzettingsvermogen om Scarlette te verleiden de trap af te lopen. Maar verder dan de garagedeur, wilde zij niet. Toen zij een week later de lange, steile oprijlaan afliep en zodoende op de openbare weg terecht kwam, slaakten wij een indianenkreet en werd ze uitbundig beloond voor haar heldhaftigheid. Maar nog moest zij steeds aangezet worden om verder te lopen dan het hek. Dat lukte door haar jaloers te maken: even flink knuffelen met Scotty en daar kwam zij aangedreuteld. Op die manier werd de afstand voor het wandelen steeds een stukje verlengd. Maar als Scarlette echt niet verder wilde wandelen, ging zij rustig midden op de weg zitten, desnoods in de sneeuw, en was ze met geen stok te bewegen om verder te lopen. Scotty kon dood geknuffeld worden, ze kwam écht niet. Vervolgens bleef er voor ons niets anders over om maar weer huiswaarts te keren. Dan liep ze wél mee.
Soms gebeurde het dat zij haar dreutelpas versnelde. Maar dan moest er wel iets bijzonders aan de hand zijn. Toen Scotty eens een poes zag lopen, ging hij die natuurlijk achterna. Dat maakte Scarlette nieuwsgierig, zodat zij een spurtje trok naar Scotty om te ervaren waarom hij zo uitgelaten reageerde.
“Verrèk, ze kan dus wel rennen”, riepen wij in koor. Of die keer dat Scotty, loslopend, een vriendje zag fietsen. Hij ging daar in volle vaart op af wat Scarlette deed besluiten er maar achteraan te rennen. Maar die momenten waren, en zijn nog steeds, een uitzondering op haar regel om alles rustig aan te doen.

Nadat zo’n week of vier het uitlaatritueel op deze manier had plaats gevonden, gebeurde er iets vreemds. Opeens was Scarlette wéér met “geen stok” verder te krijgen dan de garagedeur. We waren dus weer terug bij af. En opnieuw moest Scarlette met zoete broodjes en zachte dwang geactiveerd worden om de tuin te verlaten. Dat lukte wederom. Verder moet opgemerkt worden dat, als Scarlette midden op de weg liep en er een auto aan kwam rijden, zij bijna niet van de rijbaan af te krijgen was. Slechts met veel geduw en getrek lukte het ons om haar aan de kant te krijgen. Je zag dan de bestuurder van de auto met een grote grijns op zijn gezicht het tafereel aanschouwen. Wij hopen nog steeds dat Scarlette net zo renlustig zal worden als haar maatje Scotty.

Het blaffen van Scotty is niet bepaald minder geworden sinds de komst van Scarlette. In tegendeel. In koor maken nu drie honden kenbaar dat er een “boef” op hun weggetje loopt, zingen zij als het Cocktail Trio als hun eten wordt klaargemaakt en maken met z’n allen luidruchtig kenbaar hoe blij ze zijn dat er ook nog gewandeld gaat worden. Verder is zij een zeer makkelijke hond die eigenlijk maar één ding wil: knuffelen! En als ze vindt dat ze niet genoeg geknuffeld wordt, maakt zij dat met gromgeluiden en een smekende blik kenbaar.
En de oude dame Kaya? Zij heeft gemerkt dat Scarlette geen aanstalten maakt om “haar bankje” in te pikken. En dat is voor haar al een hele geruststelling.

52) Kerstfeest in Wallonië

Bewoners van Wallonië (België) hebben het slecht getroffen. Zij hebben slechts één vrije dag om kerstfeest vieren. Om die ene dag wat langer te doen lijken, beginnen zij daarom op de vooravond van 25 december al met de viering. De cadeautjes worden uitgedeeld, terwijl er tussen neus en lippen door enorme hoeveelheden voedsel en drank wordt verslonden. Dat heeft tot gevolg dat de volgende dag de ziekenhuizen overvol zijn als gevolg van opgenomen indigestiepatiënten. Want op 26 december moet iedereen beter zijn: er moet weer gewerkt worden.

In Nederland zijn ze slimmer. Men heeft daar twee vrije kerstdagen zodat de gevolgen van de braspartijen, op tweede kerstdag uitgeziekt kunnen worden. Veel Hollanders die in Wallonië wonen, de zgn. Wallondaises, houden de Hollandse traditie van twee vrije dagen in al zijn glorie in ere. Ze maken er soms wel drie dagen van. De meeste zijn toch gepensioneerd.

Op 1e en 2e kerstdag deden wij niet mee aan de traditie van nette kleertjes, exclusieve voedingsmiddelen nuttigen, overmatig drankgebruik en cadeautjes uitwisselen. De dieren werden normaal verzorgd, de stallen en huis uitgemest en beiden gingen we verder met ons eigen “ding”. Pas op 27 december gingen de nette kleertjes aan (nadat al het dierengespuis was verzorgd) en vol verwachting keken wij uit naar de komst van onze kinderen met toebehoren. Het toeval wilde dat zij alle zeven plus twee honden, bijna gelijkertijd aankwamen, zodat ons huisje opeens op ontploffen stond.

Nadat iedereen elkaar had begroet en geknuffeld en de vijf honden elkaar met rust lieten, was het tijd voor een rustig moment. De soep werd opgediend en zelfs ik kan niet op het zelfde moment kletsen en soep eten; even kregen alle oren rust. Toen ik me in de keuken terugtrok om het kerstdiner in elkaar te boetseren, werd de jus bijna te waterig, omdat traantjes uit haar ogen spoten van geluk en genot vanwege de aanwezigheid van iedereen. Het kerstdiner voldeed goed, mede door de rode en witte wijn. De fles rosé werd alleen door mij op prijs gesteld. Ik maakte de fles daarom maar in mijn eentje soldaat. Na het eten kwam de koffie, alsook de cadeautjes, die door iedereen in dank werden aanvaard.

Kleizoon Thomas was dolblij met zijn stoepkrijt. Maar wat moet je daarmee in de winter als het al donker is? OpaMees had de oplossing: “Teken maar binnen op de keukentegels, jongen”. Dat lokte verontwaardigde kreten uit bij zijn volwassen kinderen: “Dat mochten wij vroeger nooit!” (maar van opa mag alles…) Nadat Thomas naar bed was gebracht, brachten wij de avond door met het nuttigen van wat hapjes en drankjes. Maar ook de plagerijen gingen vrolijk over en weer.

De volgende ochtend had niemand last van indigestie, hoewel ik er behoorlijk “brak” uitzag en me ook zo voelde. (toch teveel rosé?) Maar na een stevige wandeling met de honden was ik al snel weer de oude. Er moest helaas afscheid genomen van Bas, Anja en Thomas, die ook nog elders kerstverplichtingen hadden.

Echtgenoot Mees ging daarna fluitend het raam van het aquarium schoonbranden, die door de vele vieze en plakkerige handafdrukjes van Thomas het uiterlijk had gekregen van matglas. De overige vier kinderen plus twee honden bleven nog een paar dagen het huisje in de Ardennen bemannen. Maar aan alle pleziertjes komt een einde. Mijn oude wasmachine werd wakker geschud en moest overuren draaien. De provisie- en koelkasten werden weer gevuld en zo rolden wij, weer met z’n tweetjes, het nieuwe jaar in. 

53) Huisarrest

De winter is voor veel mensen niet het meest geliefde seizoen van het jaar. Korte dagen, lage temperaturen en natuurlijk de kans op sneeuw of, nog erger, ijzel. Die laatste twee zijn de hoofdschuldigen om huisarrest opgelegd te krijgen. Met een dun laagje sneeuw kom je nog wel uit de voeten. Iets anders wordt het als je verrast wordt met een laag van 35 à 40 centimeter. Wij hebben deze winter tot op de dag van vandaag amper sneeuw-ellende op ons dak gekregen. Dat was vorige winter wel even anders. We kregen half december 2010 een enorm pak sneeuw voor onze kiezen. Gelukkig nog niet afhankelijk van rolstoel of rollator, konden wij ons onttrekken aan het huisarrest. Ook onze honden hadden er geen problemen mee. Wel leek het of zij getransformeerd waren tot konijnen, want met grote en hoge sprongen verplaatsten zij zich door de dikke sneeuwlaag.
Voor de geiten en de ezels lag het iets anders. Met een droevige blik in hun ogen stonden ze door de ramen naar buiten te kijken. Want terwijl ze normaal gesproken de hele dag buiten vertoeven, nu bleef de deur dicht. Ze waren totaal niet gewend om opgesloten te zijn in hun stallen. Zij staarden met smekende blikken naar echtgenoot Mees om toch maar naar buiten te mogen. Hij kon die vragende ogen niet weerstaan en deed beide staldeuren open, waarop onmiddellijk werd gereageerd. De bewoners renden naar buiten maar bleven na enkele passen stokstijf staan. Dit was niet wat ze wilden: die dikke sneeuwlaag en lage temperaturen. Als geslagen honden gingen ze weer naar binnen, waar het door de kacheltjes lekker behaaglijk was. Gelukkig had Mees nog wel de mogelijkheid om hun stallen schoon te maken. Toch is het geen gemakkelijke opgave om met een kruiwagen vol met stalmest, door veertig centimeter sneeuw te strompelen.

Een andere klus die Mees iedere dag moest uitvoeren, was het sneeuwvrij maken van de lange, steile oprijlaan. Dat hield in dat daar aan beide zijden meters hoge sneeuwwallen ontstonden. Ook mijn rozentuintje verdween op die manier onder een dikke sneeuwlaag, zodat ik er op voorhand maar vanuit ging dat er de komende zomer geen rozen zouden bloeien.
Omdat de kerstdagen voor de deur stonden moesten de provisie-, koel- en diepvrieskasten gevuld worden. De gewone wegen waren redelijk te berijden, maar de draaicirkel die Mees nodig had om met de auto vanuit de garage naar beneden te gaan, leverde een probleem op. Meter voor meter schoof hij de sneeuw vóór de auto weg zodat hij toch zou kon keren. In dat schoongeschoven spoor kon hij naar de sneeuwvrije oprit rijden en rustig naar beneden gaan. De weg vóór onze tuin - die toegang verschaft tot de doorgaande wegen – wordt nooit gepekeld en sneeuwvrij gemaakt. Deze loopt ook schuin naar beneden, zodat we al glijdend en slippend de doorgaande weg bereikten.

Toen wij na het plunderen van de supermarkt met een zwaar beladen auto weer omhoog moesten, deed zich een probleem voor. De eerste vier meters gingen prima, maar daarna zaten we vast in de sneeuw. Er moest toch sneeuw geruimd worden op het hellend laantje dat naar ons toegangshek leidt. Met schep en sneeuwschuiver maakten we één meter sneeuwvrij en strooiden we zand vóór de auto. Stukje achteruit, gas geven en er kon weer een meter geklommen worden. Omdat dit een tijdrovende bezigheid was, stelde Mees voor om eerst de auto wat lichter te maken. Wij brachten de kratten bier lopend naar huis, waarna hij weer een nieuwe poging ondernam. Helaas zonder merkbaar of zichtbaar resultaat. Na veel kopgekrab besloot hij de ergste sneeuw van het laantje te verwijderen en sommeerde mij om op de motorkap van de auto plaats te nemen. Op die manier maakte hij optimaal gebruik van de voorwielaandrijving. Toen bleek dat mijn schamele gewicht het juiste effect had, besloot Mees maar om gelijk de lange, steile oprijlaan op te rijden en pas te stoppen vóór de garagedeur.
Ik had de eerste paar meters doodsangsten uitgestaan, bang dat ik van de motorkap zou glijden. Maar merkend dat er niets engs gebeurde, genoot ik zelfs van dit korte ritje en verklaarde heilig dat ik vanaf die dag altijd als extra ballast beschikbaar zou blijven.

54) Onvoorwaardelijke moederliefde

Als je eenmaal moeder bent dan blijf je dat, totdat je zelf dood gaat. Al die jaren dat je als moeder leeft, blijf je zorgen houden om je kinderen. Dat begint al als je kind pas geboren is: drinkt het wel genoeg? Waarom huilt dat stumpertje? Heeft het krampjes? Ook als ze groter zijn blijven zorgen of zorgjes je parten spelen. Gaat het wel goed op school? Hebben ze geen verkeerde vrienden? De examenstress etc.
Zijn ze dan op eigen benen gaan staan, denk dan niet dat de bezorgdheid overgaat, althans niet bij mij. Je hebt ze niet meer onder handbereik, maar ook niet meer onder controle. Ze leven hun eigen leven en zo hoort het ook. Het wordt pas een benarde situatie als ik, wonende in Wallonië, hoor dat het op de Nederlandse wegen spekglad is of erg mistig. Ik hoop dat er dan geen alarmerend telefoontje komt. Nemen je kinderen huisdieren, heb je er weer een zorg bij. Vooral wanneer ik een telefoontje krijg dat Fifi, Pluisje of Humpie wat mankeert. Het verdriet is dan groot bij dat kind en zelf kan ik niet even snel mijn vleugels om de getroffene heen slaan. Nog erger wordt het als die kinderen zelf moeder worden. Kleinkinderen zijn een grote bron van zorgen: “Mam, Jelle heeft opeens hoge koorts” of “Mam, Bobby spuugt steeds”.
Dan krijg ik een telefoontje van Thomas, mijn vierjarige kleinzoon, die stralend vertelt: “Oma, ik ben naar het ziekenhuis geweest en drie dingen zijn niet meer goed bij mij“. Gelukkig ging mijn hart, na een korte stilstand, weer verder kloppen toen ik zoon Bas te spreken kreeg. Hij relativeerde de alarmerende woorden van Thomas door te zeggen dat hij slechts een kleine chirurgische ingreep moest ondergaan.

In de dierenwereld gaat het er vaak wat anders aan toe. Zodra een nakomeling zelfstandig is, vliegt, zwemt of loopt hij uit en heeft de moeder er geen zorg meer om. Zoiets van: uit het oog, uit het hart. In het begin, als het nog erg jong is, dan zal de moeder bij dreigend gevaar vechten als een leeuwin om haar kind te beschermen. Blijft het jong bij de kudde of roedel, dan zal de moeder er alles aan doen om het kind zo snel mogelijk zelfstandig te maken, zodat het in geval van nood zichzelf kan bedruipen.

Enkele van onze dieren wijken af van dat gedrag.
Dolan, de zwart/witte dwerggeit, heeft nog steeds zorgen om haar kinderen. Toen die nog lammeren waren, tolereerde zij het niet als een andere stalbewoner in de buurt van haar kind kwam. Zij beschermde haar jong tot de tanden toe bewapend om de bedreiger af te schrikken. Haar dochter Maria baart haar nog steeds zorgen, ook al is zij al geruime tijd geen lam meer. Dat is te begrijpen als je ziet hoe eigenwijs dat meiske kan zijn. Menigmaal zit zij vast met haar horens tussen het gaas. Het gras aan de andere kant is immers altijd groener en malser. Omdat zij zichzelf niet kan bevrijden begint ze luidkeels te gillen. Dat geluid doet Dolan op haar dochter toesnellen maar ook zij kan niets doen om haar te bevrijden. Ten einde raad gaan ze dan keihard een duet mekkeren dat ons naar buiten doet snellen. Pas dan kan Maria weer losgemaakt worden. Een fatsoenlijk “dank jullie wel” kan er niet af. Tevens houdt zij haar dochter voortdurend in het oog en omgekeerd. Indien ze elkaar visueel niet kunnen ontdekken, begint er een mekkerserenade tussen die twee.
Indien Maria ergens anders was gaan wonen, had Dolan het veel rustiger gehad en was Maria een zelfstandige geit geworden.

Bij de dwergezelin Nala en haar dochter Sarabi gaat het eigenlijk hetzelfde. Toen Sarabi nog een veulen was, had Nala beschermingsfactor honderd ten opzichte van haar dochter. Vooral haar vader Simba moest het niet wagen om bij zijn dochter in de buurt te komen. Deed hij dat toch, dan wierp Nala zich als een betonnen muur tussen vader en dochter. Bleef hij toch bij Sarabi toenaderingspogingen doen, dan kon hij een schop tegen zijn hoofd verwachten, toegebracht door de achterbenen van Nala. Sarabi is nu geen veulen meer maar als zij moederziel alleen staat te balken, geeft Nala in eerste instantie antwoord. Blijft zij volharden in haar geroep dan zie je Nala ongerust op haar af komen om te vragen of er iets aan de hoef is. Meestal is dat niet het geval, het is slechts aanstellerij.

Nu ik dit gedrag van Dolan en Nala heb beschreven, bekruipt mij een vreemd gevoel. De uitspraak: “mensen lijken op hun dieren” is wel erg op mij van toepassing.

55) De echo

Het is mei 2009.
Samen met ons middelste kind Lisa en haar partner André, zit echtgenoot Mees op ons terras nog iets te drinken. Ik sta in de keuken om mijn favoriete “Macaroni à la Mies” voor te bereiden. Dan hoor ik de opgewonden stem van mijn dochter roepen dat haar zus Vera en haar partner Peter ons met een onverwachts bezoek komen vereren. Mijn hersenen maken gelijk een fast forward beweging en gaan in razend tempo de inhoud van mijn provisiekast in: Oké, laat maar mee-eten die twee, er is genoeg proviand in huis, registreert mijn grijze massa. Waarom die twee nieuwkomers zijn gekomen is voor mij een raadsel, waar ik niet te lang bij stilsta. Hoe meer kinderen er om mij heen zijn, hoe meer vreugd!

Al snel wordt door beide zussen lekker bijgekletst alsof ze elkaar maanden niet hebben gesproken. De heren zijn ondertussen in een diepgaand gesprek verwikkeld over vissen en zwembaden en ik geniet optimaal van dit alles.
Later, bij de koffie zegt Vera opeens dat zij een cadeautje voor mij heeft, ter gelegenheid van Moederdag. Lisa kijkt haar zus vragend aan. Zij zouden immers voor Moederdag een gezamenlijk cadeau geven. Vera werpt Lisa een geruststellende blik toe en geeft mij het presentje. Bloednieuwsgierig pak ik het uit en zie een fotolijstje, vrolijk versierd met babyattributen. Op de afbeelding zie ik een foetus, gemaakt tijdens een echografie. Omdat de merrie van Vera drachtig is, ga ik er van uit dat het een echo van het veulen is.
"Oh, wat schattig, een echo van mijn kleinpaard", roep ik enthousiast uit. Vera begint meteen te schateren en Peter krijgt een grote grijns op zijn gezicht. Lisa en André springen uit hun stoel om ook een blik op de foto te werpen. Dan vermaant Vera iedereen tot stilte.
"Lieve allemaal, dit is géén echo-afbeelding van het veulen. Jullie worden in november weer oma en opa, tante en oom!" De stilte blijft aanhouden, zij het niet voor lang. Een pandemonium van kreten vol ongeloof breekt los en hier en daar rollen heel wat traantjes. Niemand was namelijk op de hoogte van de kinderwens van Vera en Peter. Als iedereen elkaar gefeliciteerd heeft met dit verrassende nieuws, vraagt Vera wederom het woord. Zij legt uit dat zij en Peter enorm gelukkig zijn, dat deze a.s. nakomeling volledig gewenst is, zodat er van een "ongelukje" totaal geen sprake is.
De rest van de avond wordt gevuld met gesprekken over babykleertjes, bevallingen zwangerschapskwaaltjes en babyvoeding , althans door de drie dames. De heren blijven bomen over vissen, zwembaden en af en toe valt het woordje "baby". En ik? Ach, eigenlijk kan ik het nog niet bevatten. Het is een vreemd, maar mooi idee dat mijn kind een kind krijgt.

Vol verlangen kijk ik al uit naar de komst van mijn tweede kleinkind. En al weet ik dat de tijd vliegt, zes maanden wachten lijkt wel een eeuwigheid. Geduld is echter een schone zaak en nu heb ik nog tijd genoeg om aan het idee te wennen. Het breien van babytruitjes zal ik achterwege laten na het fiasco bij mijn eerste kleinkind. Het zal mij nooit lukken om iets moois te breien. Daarom heb ik maar dit stukkie geschreven voor mijn oudste kind, die een kind gaat krijgen.

56) Een kopie

In de laatste week van november 2009 had ik geen nagels meer om op mijn kop of kont te krabben, zo hoog liep de spanning bij mij op. Mijn oudste dochter Vera stond immers op het punt om haar eerste kindje ter wereld te brengen. Na de “uitgerekende” datum verwachtte ik ieder moment van de dag hét telefoontje. Het kwam maar niet. In antwoord op een mail, waarin ze schreef dat ze het zat was, antwoordde ik met de troostende woorden dat er nog nooit een baby is blijven zitten. Toch vroeg ik me af: wie stelt wie nou gerust?
Terwijl er normaal gesproken gelijk wordt opgenomen, kreeg ik op een avond geen antwoord op mijn telefoontje naar Vera. Was ze uit?  De honden aan het uitlaten? Ik wist het niet. Toen de volgende dag mijn getelefoneer naar haar weer zonder enig resultaat bleek te zijn, kreeg ik argwaan. Zou ze nu toch naar het ziekenhuis zijn? En ja hoor, diezelfde avond kwam het verlossende gesprek: mijn dochter had een zoontje ter wereld gebracht, die de naam Jelle kreeg. Mijn maag en nieren verwisselden echter van plek, toen Vera verslag deed van haar bevalling. Ze had het bepaald niet gemakkelijk gehad, om het maar zacht uit te drukken. En dat terwijl ikzelf moeiteloos drie kinderen had gebaard. Na wat heen en weer gesnotter lieten wij elkaar met rust. De jonge moeder moest slapen en ik moest mijn tas inpakken.

Opgewonden, door het vooruitzicht mijn tweede kleinkind te zien, ging ik de volgende dag op reis. Ik zou zeven nachten bij de versgebakken ouders gaan logeren. Echtgenoot Mees zou al die dagen alleen zijn en zodoende zijn handen vol hebben aan het verzorgen van de dieren én van zichzelf.
Aangekomen bij de jonge ouders, zag ik de dromerige blik in de ogen van Vera. Alsof zij nog niet op aarde was teruggekeerd, een bekende gelaatsuitdrukking die bij pas bevallen vrouwen aanwezig kan zijn. En ik, die meestal wordt verzocht mijn snater eens dicht te houden, was sprakeloos toen ik het manneke zag. Hij was een kopie van Vera, toen zij pas geboren was. Daarna moest ik zorgen dat ik mijn stem weer terug kreeg want om de feestvreugde te verhogen, kwamen ook mijn andere kinderen diezelfde avond op kraamvisite.

De dagen die volgden, waren voor mij één grote vakantie, doorgebracht met het geven van flesjes, schone luiers en tips, het aanzetten en leeghalen van wasmachine, wasdroger en vaatwasser, koken en boodschappen doen. Hoewel ik bij mezelf thuis huishoudelijke klussen stomvervelend vind, bij Vera deed ik dat zingend en niet alleen om behulpzaam te zijn. Er kwam ook een stuk eigenbelang bij. Ik had immers na de geboorte van mijn eerste kleinkind Thomas, slechts drie dagen in Holland kunnen zijn om te helpen, aangezien Mees weer moest werken. Maar dat was nu niet het geval. Ik kon, bij wijze van spreke, net zolang wegblijven als ik wilde. Het was voor mij een heel bijzondere ervaring om te kramen bij mijn dochter. De kraamzuster was ook danig in haar schik dat er een oma in huis was die de huishoudelijke klussen grotendeels overnam. Zodoende kreeg zij alle tijd van de wereld om de jonge moeder over veel dingen te instrueren. Tevens toerde ik met Peter, de jonge vader, de halve Veluwe rond om op jacht te gaan naar artikelen waar hij voordien het bestaan niet had geweten. Hierbij valt te denken aan borstpomp, voedingsbeha, fingerfeedingmateriaal en verklikluiers.

Toen op vijf december Jelle werd bewonderd door enkele Zwarte Pieten, stroomden zowel bij Vera, als bij mij om onverklaarbare redenen de (kraam?) tranen over onze wangen. Zij is immers net zo een jankerd als ik ben.
Jelle had het natuurlijk af en toe best moeilijk om te wennen in de grote wereld. Om de jonge ouders tijdens de nachtelijke uurtjes toch wat slaap te laten pakken, ging ik een paar nachten met hem naar beneden. Ik gaf hem dan de nachtvoeding, troostte en verschoonde hem en zorgde dat hij weer rustig werd. Daarna zat ik dan zelf, half suffend, naast de kinderwagen te genieten van de aanblik van dit wereldwondertje.

Helaas, aan iedere geboortevakantie komt een eind. En nadat Vera en ik natuurlijk- snuffelend en snotterend afscheid hadden genomen, ging ik weer Mees-waarts. En net als na mijn eerste “geboortevakantie“ van Thomas, zat ik nog lang na mijn thuiskomst op een blauwe wolk met een overdosis aan adrenaline. Dat had als gevolg dat ik, alweer met een stompzinnige grijns op mijn gezicht, een tijdlang boven mijn dorp zweefde.

57) Van straatnamen naar schapen

Of je nu in Parijs wandelt of kuiert door Epécamps, het kleinste gat in Frankrijk, dat maakt niet uit. Iedere stad, dorp of gehucht in Frankrijk heeft wel een Place de la Liberté, Avenue Victor Hugo, Rue Napoléon of een Allée Charles de Gaulle. Echt vindingrijk en creatief komen de Fransen dus niet over. Daar zijn ze echter niet uniek in. Ook in de meeste Nederlandse gemeenten ontbreekt het bij de straatnaamcommissie aan originaliteit. Welke stad of gemeente heeft nou geen Kerkplein of Marktstraat?
Misschien vormt Almere daar toch een uitzondering op. Nadat de eerste paal was geslagen op het drooggelegde stukje IJsselmeer, begon men de toekomstige stad al vlug in vele wijken te verdelen. De oude stadskern, Almere Haven, mag zich nog steeds verheugen op een Kerkstraat en Marktstraat, maar daar houdt de traditie ook op.

In een moordend tempo werd de ene na de andere wijk uit de grond gestampt. Stedenwijk met zijn Tilburgstraat, Waterwijk met het Tarbotpad en Literatuurwijk met de Top Naeffstraat. Muziekwijk kon zich onder andere verheugen op de Saint Saensgracht. Daar woonden wij. Een crime, want bijna niemand wist hoe je dat uit moest spreken, laat staan schrijven. Als iemand door de telefoon vroeg hoe je die naam spelde, kon ik al zingend, in staccato, de letters doorgeven. Ook heeft Almere een Flora en Fauna wijk. De Rozenstraat is schitterend gelegen, maar er bevindt zich geen enkele roos. En wat te denken van het Zebrapad? Hoe achterlijk moet het klinken als je als antwoord op de vraag: Mevrouw, waar woont u? moet antwoorden: "Op het Zebrapad". Tevens kan Almere zich verheugen op een Schepenwijk. Men komt daar wonderlijke namen tegen. Die variëren van typen schepen, zoals Platbodemweg tot scheepstermen als: Bakboordpad of Lijzijde. Het wordt in mijn ogen het meest hilarisch als je op een plek woont die is afgeleid van een ruimte in een boot. Wat te denken van het Vooronder of Bovendek? Helemaal te gek wordt het, als je moet antwoorden op de vraag waar je woont.: “In de Mast”.

In het Waalse gehucht waar wij nu wonen, speelt straatnaamgeving geen grote rol bij de gemeenteraad. De meeste straten of wegen zijn afgeleid naar de plaats waar ze naar toe leiden. Rue d’Izier, bijvoorbeeld is een weg die vanaf onze woonplaats naar het gat Izier gaat. Ga je vanuit Izier naar ons dorp, Bomal sur Ourthe, blijft de naam van die weg toch onveranderd!
Zelf wonen wij in een straat die vrij vertaald “Schaapherderstraat” heet. Er is echter geen schaap te bekennen, laat staan een schaapherder. De enige dierenhouders die daar leven zijn wijzelf, op wat honden- en kattenbezitters na. Eens begonnen met twee schapen, vier dwerggeiten en twee dwerg-ezels, kon er toch nog geen sprake zijn van een enorme kudde. Dat was vroeger wel het geval in die streek.
Volgens mondelinge overleveringen keek je vanaf de grens van het dorp, op één witte, golvende zee van schapen uit. Er was voor de schapen ook een dam aangelegd, zodat de drinkwatervoorziening geen probleem was voor de dieren. Helaas werden deze herkauwers niet behoorlijk gehoed, want door het tellen van de schapen vielen de schaapherders steeds in slaap. Dat had als gevolg dat één van de dieren de dam over stak en als er één schaap over de dam is volgt de rest vanzelf. De enorme kuddes dunden op die manier enorm uit, totdat er slechts één zwart schaap overbleef. Dat was volgens het zoontje van één van de schaapherders geen echt schaap, want het liedje gaat toch over een schaap dat witte wol geeft. De herder wist zijn zoontje ervan te overtuigen dat het een verloren schaap was, dat nu eindelijk terecht was. Zodoende werd het dier niet gevild, maar geschoren. Het zou immers jammer zijn om de inkomsten uit dit dier te missen. Lang heeft het beest niet geleefd, want terwijl de andere herders twistten over de herkomst, roofde een wolf in schaapskleren dat schaap. En juist dat schaap zal een zachte dood nemen.

58) Vele vormen van verveling

“Verveling” volgens Van Dale:
ver·ve·ling, de, vr. onaangenaam gevoel van leegte zodat de tijd lang lijkt.

Dat woord kan ik schrijven, ik weet wat het betekent, maar het gevoel ken ik niet.
Al jarenlang kom ik tijd te kort om al mijn hobby’s uit te oefenen. Mijn dagen zijn daarom van top tot teen gevuld en kom ik in vierentwintig uur er altijd twaalf te kort. Ook echtgenoot Mees kampt met ditzelfde probleem. Gelukkig maar, want er lijkt mij niets erger dan een echtgenoot te hebben die niets te doen heeft. Toen hij nog werkte, was zijn klaagzang over gebrek aan vrije tijd een lied dat op nummer één stond in zijn top honderd aller tijden. Nu hij gepensioneerd is, heeft hij geen vrije tijd over, hij blijft uren te kort komen.

Hobbyloos leven
Er zijn gepensioneerde mannen die zich te pletter gaan vervelen als zij veel vrije tijd ter beschikking krijgen. Voorheen leefden zij slechts voor hun werk en hadden geen tijd voor hobby’s. Daardoor vallen zij in een gat zodra ze gepensioneerd zijn. Zij brengen de dag door met het spellen van de ochtendkrant, waarna zij, indien zij beschikken over een computer, ook nog op alle nieuwssites rondstruinen. Daarna ploffen zij voor de televisie neer om alle journaals te volgen en, niet te vergeten, alle sportuitzendingen. Daar is natuurlijk niets mis mee, maar vaak moet moeder de vrouw zich dan in allerlei bochten wringen om onder hem door te stofzuigen of om hem heen, het aanwezige stof te verwijderen. Wat mij persoonlijk nog erger lijkt, is als de man zich opeens gaat bemoeien met het huishouden, wat hij voorheen nooit deed. Ik prijs me gelukkig dat Mees nooit opmerkingen maakt in de trant van: “Moeten de ramen niet eens gelapt worden?” of “Moet je nu alweer dweilen?” Persoonlijk zou ik echtscheiding aanvragen op grond van Ziekelijke Bemoeizucht.


Alleen zijn.
Ook kinderen kunnen zich danig vervelen. Eén van mijn kinderen heeft een korte periode gekend, waarin het zich met hartstochtelijk nietsdoen kon vermaken. Het kind verveelde zich op een zodanige nadrukkelijke wijze, dat ik er stapelgek van werd: ondersteboven hangend in een stoel sprak het dan landerig: “Ik verveel me zo, heb niets te doen en niemand wil met mij spelen.” Alle ideeën die ik aandroeg, haalden natuurlijk niets uit, zodat ik het de kamer uitstuurde om zich elders te gaan vervelen.
Naast gepensioneerden mannen en kleine kinderen kunnen ook dieren last hebben van verveling. Uiteraard lezen zij niet de krant van A tot Z, maar honden kunnen het interieur van je huiskamer danig veranderen als zij zich vervelen. Vooral als pup uiten zij dat vaak door vernielingen aan te richten. Als er niemand thuis is, zijn zij gedoemd om alleen te spelen, een eigenschap die zij nog niet beheersen. Dat was voor ons een reden om niet één, maar twee Siberische Huskypups aan te schaffen. Als wij niet thuis waren, uitten zij hun vernielzucht wel op elkaar. Stuk gingen ze niet. Nooit hebben wij bij thuiskomst bloed op het plafond ontdekt en misten geen van de twee pups een staart, poot of oor.
Met uitzondering van solitair levende dieren, zoals de tijger, eland of wasbeer, geven de meeste dieren er de voorkeur aan met soortgenoten samen te wonen. Als groep sta je sterker en is het een stuk gezelliger. Een ezel bijvoorbeeld, kan zich letterlijk en figuurlijk dood vervelen als het alleen in een weide staat. Zet er dus een ander dier bij! Het liefst een soortgenoot, maar geiten of een klein paardenras werkt ook uitstekend. Toch kunnen twee ezels zich ook gaan vervelen en overgaan tot vernielzuchtig gedrag.

Wegvallen van dagelijkse bezigheden
Toen hun weide bedekt was met een dikke laag sneeuw, hadden Nala en Sarabi, onze dwergezelinnen, niets meer te grazen. Om hun mond en tanden toch actief te houden, besloten ze eerst om de steel van een bezem doormidden te bijten en daarna het handvat van een schep kleiner te maken. Nadat Mees deze attributen veilig had opgeruimd, zetten zij hun tanden in de deurpost, gecombineerd met het knagen aan de deur zelf. Het repareren van deze schade met hoekijzers, was een klus die Mees meteen uitvoerde. Dit om te voorkomen dat ze de hele stal op zouden eten.
Om de verveling te verdrijven gaven we de ezels een skippybal, evenals een oude plastic jerrycan. Daar konden ze heerlijk mee hoofdballen én in bijten. De schuinaflopende weide was er de oorzaak van dat de speeltjes wel door de dames naar beneden gerold konden worden, maar omhoog rollen was een kunst die zij niet meester waren. Zodoende moesten wij een paar keer per dag door de sneeuw ploeteren om de bal en de jerrycan weer naar boven te brengen. Om dit te voorkomen hingen we een emmer met een touw aan een dikke tak. Dit bracht voor Nala even wat afleiding, maar Sarabi moest er niets van weten.
“Hang een hooinet op,” zei onze oudste dochter Vera,”dan hebben ze de hele dag wat te knagen.” Natuurlijk hadden wij een dergelijk net niet in onze achterzak zitten, maar Vera stuurde er een per post op. Wij vulden het niet met hooi, maar met stro. Dat levert minder dikmakende calorieën en geeft bij ezels een heerlijk verzadigd gevoel. Nala en Sarabi waren erg content met dit speeltje en knabbelde er lustig en met smaak op los. Onze angst dat zij dat net stuk zouden knagen, bleek gelukkig ongegrond, zodat de uitspraak: “ledigheid is des duivels oorkussen” niet meer op onze ezels van toepassing is.

59) Zeilen in Griekenland

Ze hadden er genoeg van.
Drie zomers achtereen was hun vakantie in het water gevallen doordat het te vaak en te veel had geregend. Daarom hadden onze vrienden, laten we ze voor het gemak maar Joop en Annie noemen, enkele jaren geleden een drastisch besluit genomen. Ze lieten Nederland links liggen en gingen hun heil en droog weer zoeken in Griekenland. Niet in een hotel, daar waren zij de mensen niet naar. Ze gingen flottielje-zeilen, of zoals zij het zelf noemden: “met een sootje bote achtermekaar an seile“. Het zijn immers rasechte Amsterdammers.
Zeilen deden ze beiden al van kinds af aan, dus dat was niets nieuws. Wat wel nieuw voor hen zou zijn, althans dat hoopten ze, was weer eens zeilen in het zonnetje. Ze hadden er hun buik vol van om, zoals afgelopen jaren, ijlings de zeilen te moeten bergen omdat de zoveelste bui regen roet in het eten gooide.

De dag van hun vertrek stonden ze met een minimum aan bagage op het vliegveld. Eenmaal in het vliegtuig deden ze wanhopige pogingen om in gesprek te komen met hun medezeilers, maar kwamen bedrogen uit. De meesten smeten met woorden als: marina, clubhuis, boxen, fenders en andere vreemde uitdrukkingen. Onze vrienden keken elkaar vragend aan, maar gaven geen krimp. Aangekomen op het vliegveld van hun bestemming, stond er al een bus klaar voor diegenen die het zo plezierig vinden om enkele weken in een tupperware schaaltje rond te dobberen en maaltijden klaar te maken voor volwassenen in een smurfenkeukentje. De boot, die de aankomende weken het huis van Joop en Annie zou zijn, viel goed in de smaak. Toen ze hun weinige spullen gestouwd hadden en in hun tijdelijk verblijf bij zaten te komen van de vermoeiende reis, hoorden zij opeens een vreemd geluid. De herrie die zij hoorden leek nog het meest op een naderende onweersbui, zodat zij elkaar verschrikt aankeken. Na nog een keer goed geluisterd te hebben, herkenden ze een stem die iets onverstaanbaars door een megafoon mededeelde. Ook de eigenaar van de stem ontdekte dat het apparaat niet aan de gestelde eisen voldeed. Hij plaatste daarom zijn handen aan zijn mond en blèrde dat iedereen over een half uur in het clubhuis werd verwacht. Gelukkig waren onze vrienden in het bezit van het woordenboek: Amsterdams zeiljargon - Bekakt zeiljargon, zodat zij ontdekten dat “clubhuis” hetzelfde betekende als “kantine”. Zij gaven gehoor aan deze opdracht en als twee opgetogen kleine kleuters togen zij naar het bedoelde gebouw. Daar werd door het flottieljehoofd - door Annie omgedoopt als herdershond - enige vaar- en andere niet ter zake doende instructies gegeven. Het kwam er op neer dat iedere ochtend, op een nog nader te bepalen tijdstip, gezamenlijk zou worden uitgevaren en men dan in kiellinie opstoomde naar de volgende marina. Annie voelde een steek van jaloezie door zich heen gaan, want het woord “marina” bracht zij in verband met een mooie, jonge Griekse dame. Zij slaakte een zucht van verlichting toen het woordenboek haar vertelde dat "marina" een deftig woord is voor "botenstalling".

De volgende morgen werden alle flottieljegangers ruw gewekt door het ochtend-appèl van de herdershond. Hij deelde de verschrikte zeilers mee, dat er binnen een half uur uitgevaren moest worden. Na veel geharrewar, gingen even later twaalf grootzeilen en elf fokken omhoog. Dat alles niet gesmeerd liep, was wel te begrijpen. Men moest immers wennen aan een ander tuigage dan die van je eigen boot. Dat bleek duidelijk toen één van de watersporters aan zijn kapiteinse het bevel gaf om de fok te hijsen. Het schaamrood ontsierde zijn kaken toen hij tot de conclusie kwam dat zij hem ondersteboven had gehesen. Het fluitconcert van de overige zeilers deed hem beseffen dat het onkundig handelen van zijn echtgenote door iedereen was waargenomen. Natuurlijk rolden ook onze vrienden bijna van boord van het lachen toen zij dit geklungel aanschouwden. Dat leedvermaak wordt bestraft, bleek toen hun boot, hoe was het in hemelsnaam mogelijk met dit zwakke windje, ging gijpen. Dat ontlokte een onvervalste Amsterdamse krachtterm uit de mond van Joop: “wattenpestpokkeklereboot”.

Na een half uur ploeteren en scharrelen hadden alle deelnemers de juiste positie ingenomen. Het varen in kiellinie deed Joop nog het meeste denken aan een eend met een stelletje jongen, waarbij de boot van de herdershond de rol van de moedereend vervulde en de deelnemers die van de kuikens. Onze vrienden vonden deze manier van zeilen maar zó-zó, maar goed, ze kwamen vooruit en het zonnetje scheen volop. Dat deed Annie in de loop van de dag veranderen van melkfles in een rode kreeft, aangezien zij halsstarrig bleef weigeren haar nog bleke, Hollandse huid in te smeren met een zonnebrandcrème.
Aan het einde van de dag begon de herdershond een nieuwe order te blaffen: “Fenders out!” Joop keek verward naar Annie, maar herhaalde tegen haar wat de roedelleider had bevolen. Eerlijk gezegd begreep hij totaal niet wat hun was opgedragen, maar liet dat niet aan haar blijken. Zij was daarentegen veel eerlijker en zei tegen hem: “Joop, ik mag hier harstikke dood neer falle, maar ik heb geen ene flauwe nosie van wat die gozer bedoel.” Op deze eerlijke bekentenis kon hij niets anders doen dan kleintjes toegeven dat hij er ook niets van begreep. Vlug pakte Annie hun woordenboek en, ondanks haar verbrande huid, sloeg zij dubbel van het lachen. “Attelenoje, weet je wattie see, die halluffe sool bedoel datte we de stootkusses buiteboord motte hange”, vertaalde zij gierend van pret, waarop Joop zich bijna verslikte in zijn sigaar van het lachen.

Na enkele minuten lagen zij afgemeerd op hun plek, die de andere zeilers steevast “box” noemden. Al die spraakverwarringen deden onze vrienden echter wel beseffen dat zij hun scheepjargon moesten bijvijlen met die nieuwe begrippen. Zelfs in de Almanak voor Watertoerisme deel 1 en 2 was geen duidelijke verklaring voor deze nieuwe benamingen in het Amsterdams te vinden.
Gedurende de volgende dagen genoten onze vrienden volop van de Griekse zon en het zeilen. Toen hun vakantie voorbij was, namen zij zich voor om niets aan hun eigen taaltje te veranderen, om nooit meer aan flottieljezeilen te doen, om voortaan een individuele zeilvakantie te boeken, wél in Griekenland, maar zonder herdershond.

60) Fruit uit eigen tuin

Wie droomt nou niet van een eigen boomgaard, die vol staat met allerhande soorten fruitbomen. Naast al het fruit dat deze bomen aan de eigenaars schenken, kan men in het voorjaar volop genieten van de prachtige bloesems. Wij hebben familieleden die midden in een boomgaard hun huis hebben staan. Een overdaad aan fruit is het resultaat. Wat zij zelf niet kunnen verorberen, wordt ruimhartig gedeeld met andere bloedverwanten. Niet alleen fruitbomen zijn een lust voor het oog en de tong. De struiken van de aalbes of kruisbes kunnen erg scheutig zijn met het geven van hun bloesem en vruchten. Er bestaan zelfs planten die zowel bloesems als vruchten dragen. Denk maar aan de aardbeienplant.

Toen wij in november 1999 een huis in de Waalse Ardennen kochten, wisten wij nog niet dat er reeds vruchtdragende struiken in de tuin aanwezig waren. Daar kwamen wij pas achter toen het betreffende groen vruchten gingen dragen. Vol verbazing stonden we op een dag naar zeven kruisbesjes te staren. Met zorg plukten we die heerlijke lekkernij en genoten van de, weliswaar schamele, opbrengst. Dat was meteen ook de laatste keer. Het jaar daarna vertikte hij het om ons met vruchten te verblijden. Uit nijd verwijderden we de onverlaat, mede om de aalbessenstruik meer ruimte te geven. Deze gaf zoveel besjes, dat wij genoodzaakt waren om een deel van de oogst met anderen te delen. Later verplaatsten we hem naar een meer zonnige plek. Dat hadden we dus niet moeten doen. De struik was zo kwaad over die verhuizing, dat hij uit wraak vertikte om verder te leven, laat staan om besjes te geven.
Aardbeienplantjes hadden wij ook geplant. De eerste paar jaren at echtgenoot Mees de hele zomer door aardbeien. Maar na enkele strenge winters waren de plantjes helaas niet meer levensvatbaar, zodat wij ze uit de tuin verwijderden.

Wat overbleef, was onze boomgaard, bestaande uit wel twee appelbomen. Het duurde drie jaar alvorens er enig appeltje te oogsten was. Tijdens het vierde jaar van hun dappere groei en bloei, werd er één totaal omver gelopen door het lompe rengedrag van Simba, de dwergezelhengst. Het overgebleven boompje zag de verdrietige blik in onze ogen en nam zich voor hard te groeien en veel appels te geven. Een belofte die hij ook nakwam.
Last van laaghangende takken, als gevolg van het gewicht van de appels, hebben we niet. Die worden op een natuurlijke manier gesnoeid door onze veestapel. Dit in tegenstelling tot bovengenoemde familieleden. Daar is het nodig om zelf de takken te snoeien, wil men nog het gras onder de bomen kunnen maaien.

Onze dappere boom geeft nu ieder jaar appels in overvloed. Ieder najaar kunnen wij een rijke oogst oogsten. Emmers vol met die heerlijke vruchten slaan wij koel op en wat we zelf niet opeten, delen wij met onze kinderen.
Ook de ezels en de geiten lustten er wel pap van. Zij deden zich tegoed aan de afgevallen vruchten, of zij plukten de appels eigenmondig uit de boom. De gevolgen van deze vraatzucht deed zich op een dag gelden: als een stel straalbezopen cafébezoekers liep ons dierengespuis door de wei te zwalken. Door het gistingsproces waren ze echt een beetje dronken geworden. Dat mocht niet meer gebeuren! Hij moest even door de zure appel heen bijten, maar daar ging echtgenoot Mees wéér, met een emmer vol gereedschap, palen en gaas, het weitje in. Om de appelboom maakte hij een degelijk hek zodat het vee nu niet meer van de appels kan snoepen. De enkele appels die nu nog spontaan op de grond vallen vormen geen gevaar: de appels vallen niet ver van de boom.
 

61) Niet voor niets

In ons eerste tuintje, in Utrecht, bleef geen grassprietje overeind. De enthousiaste, waakse Duitse herder Bor, was daar debet aan. Hij schepte er veel genoegen in om met iedere voorbijganger mee te rennen. Wat er aan gras overbleef kon gemaaid worden met een niet-motorische grasmaaier.

Ons tweede tuintje, in Frankrijk, bestond uit klei en keien. Als er al gras groeide, was het niet verstandig om te maaien indien je de grasmaaier heel wilde houden.

Het derde tuintje, in Almere, was wel begroeid met gras. De afmeting was slechts zodanig, dat een grasmaaier een overbodige luxe was. Een nagelschaartje voldeed.

Ook in Almere, kregen we ons vierde tuintje. Dat had wel gras, maar werd al snel betegeld, omdat onze twee Siberische Huskys er veel genoegen in schepten om te graven.

Tuintje nummer vijf, in Wallonië, was geen tuintje maar een tuin. Na eerst de elektrische maaier aan gort te hebben gemaaid kwam er een benzinemaaier, met wielaandrijving. Wel zo handig. De tuin was nergens waterpas. Deze vijfde tuin werd later uitgebreid met nog eens 900 m² grasgebied. Het werd tijd voor grover geschut. Wij schaften een zitmaaier aan. Dat verbruikte veel minder menselijke energie. Echter, na de komst van de geiten, schapen en ezeltjes bleef er eigenlijk maar weinig gras over om te maaien. Slechts de bermen voor ons huis konden rekenen op een regelmatige maaibeurt.

Al snel werd de zitmaaier, waar een aanhanger aan gekoppeld kon worden, ook gebruikt voor het verplaatsen van grind, grond, zand, keien en balen hooi en stro. Dat scheelde echtgenoot Mees veel geklim en geklauter met een kruiwagen. Het is immers bekend dat onze oprijlaan nou niet bepaald vlak is. Misschien kan de zitmaaier in de toekomst nog dienst doen als vervoermiddel om ons de oprijlaan omhoog te krijgen.

Waar niet gegraasd kon worden door de dieren, werd het gras aangepakt met een grastrimmer. Dit apparaat is ideaal voor een Engels gazonnetje, maar dat is nergens bij ons te vinden. De touwtjes waarmee het gras wordt gesneden zijn erg kwetsbaar. Zij breken daardoor constant aangezien de begroeiing nogal grof is. Doordat de grastrimmer eigenlijk werk moest verzetten waar hij duidelijk niet geschikt voor was, hebben wij al vier grastrimmers naar de stort kunnen brengen. Een zgn. bosmaaier zou dit kunnen voorkomen, maar had weer een ander nadeel. Zo’n ding snijdt met messen en als die in aanraking komen met het gaas van de afrastering, vliegen de messen om je oren. Denkend aan het contact van de messen op de aanwezige keien, deed ons besluiten om dan maar af en toe een normale grastrimmer aan te schaffen.

Door de vele loofbomen die in de weitjes staan, wordt in de herfst het gras bedekt met een dik tapijt van bladeren. Al snel kochten wij ook een bladblazer/zuiger, zodat het gras niet kon verstikken. Het verpulverde ook nog de opgezogen bladeren zodat de gemalen blaadjes weer snel zouden composteren. Na de komst van de graasdieren werd evenwel duidelijk dat het ding voor niets was aangeschaft: zij lusten er wel pap van! Na iedere herfstige windvlaag rennen de dieren het weitje in om de bladeren op te ruimen (=opeten) Naar de stort ging dit apparaat niet. De oprijlaan ligt in de herfst vol met bladeren en in plaats van een bezem gebruikt Mees de bladblazer/zuiger om de oprijlaan proper te houden. Verder zie je mij het ding nog weleens binnenshuis gebruiken. Zo kwam de bladblazer/zuiger, evenals de zitmaaier, toch nog van pas.

62) Een trillend huis

Verandering van spijs doet eten. Daarom kochten wij twintig jaar geleden nogal impulsief een ander huis. Het was ons op voorhand bekend dat de renovatie en verbouwing veel tijd en geld zou kosten. Avontuurlijk als wij ook toen al waren, lieten we ons daar niet door afschrikken. De handen van echtgenoot Mees jeukten enorm om van dit bouwval een klein paleisje voor zijn gezin te maken. Een leuke bijkomstigheid was, dat het huis op drie meter afstand van een drukke spoorlijn lag. Iedere acht minuten raasde er een intercity trein langs. In de nachtelijke uren kwam daar wat anders voor in de plaats: met de regelmaat der klok passeerde dan een goederentrein, vaak beladen met rammelende aauto’s op gigantische trailers. Mees had er geen problemen mee en vond het zelfs cool om daar te gaan wonen. Ook toen was hij al gek van treinen.
Tijdens de verbouwing woonden wij in een geleende caravan. De kinderen vonden het prachtig. Gedurende zeven rommelige maanden lapten we normale huisregels aan onze modderlaarzen en leefden wij als een stelletje vrijbuiters.

Op een mooie, warme dag in september kon Mees mededelen dat het huis helemaal klaar was voor bewoning. Omdat onze financiële reserves uitgeput waren, ontbraken de middelen om de elektriciteitrekening te betalen en sloot men ons af van de toelevering. Het leven zonder stroom stuitte op heel wat beperkingen, zodat Mees naarstig op zoek ging naar een alternatieve stroomvoorziening. Aangezien we vlak bij een elektraleiding woonden die de treinen deed rijden, tapte hij een draadje af naar ons nieuwe huis. Helaas bleek dat 1500 Volt toch teveel van het goede was, zodat alle elektrische apparaten opgeblazen werden door het veel te hoge voltage. Nadat wij ons hele onderkomen opnieuw hadden voorzien van nieuwe apparatuur, leek het Mees beter om stroom af te tappen van de stroomvoorziening voor de seinen en wissels. Die had immers een veel lager voltage. Dat had wel tot gevolg dat ik geen elektra had als de seinen en wissels in werking werden gesteld. Maar een kniesoor die daar een probleem van maakte. Een leuke bijkomstigheid was, dat het niet nodig was om klokken en wekkers aan te schaffen. Wij leefden bij de gratie van de passerende treinen. Dat werd anders toen de Nederlandse Spoorwegen te kampen kreeg met veelvuldige vertragingen.

In het huis dienden wel veel aanpassingen gedaan te worden. Door het voortdurend trillen, wanneer er een trein langs sjeesde, vond er vaak een verandering van plek plaats van de snuisterijen en schilderijen. Om dat te voorkomen, plakten wij die dingen met tweezijdig plakband vast op de hun toebedeelde plaats. Steeds nieuw servies kopen, doordat het van de planken trilden, werd een kostbare geschiedenis. Mees verhielp dit ongemak door voor elke plank een latje te timmeren en voorkwam zodoende dat de hele inhoud aan diggelen viel. Als wij onze bezoekers een kop koffie wilden aanbieden, kregen zij altijd twee halve kopjes omdat de koffie er anders over heen zou klotsen bij een passerende trein. Vandaar dat wij extra zuinig moesten zijn op ons servies. Gevoelige elektronische apparatuur, zoals computer en televisie, stonden op een schuimrubber matje om ze een vroegtijdige dood te besparen. Door de aanhoudende trillingen gebeurde het regelmatig dat er een raam sneuvelde en was het glas van het aquarium ook al gesprongen, dit tot groot verdriet van onze kinderen. Deze stumpers hadden het toch al niet getroffen met ons nieuwe onderkomen, want een spelletje mikado was onmogelijk. Probeer eens een toren van blokken te bouwen in een altijd bewegend huis en het zal duidelijk zijn dat, voor de kinderen, de pret om daar te wonen er al vlug af was. Tranen met tuiten hebben ze gehuild en ons gesmeekt om naar een appartement in een groot stabiel flatgebouw te verhuizen. Wij gingen niet in op hun smeekbeden.

Toen Mees niets meer te klussen had, sloeg de verveling bij hem toe. Tot hij op een dag iets in elkaar had geprutst, waarmee hij automobilisten kon pesten. Vanuit het zolderraam kon hij met een zelfgemaakte afstandsbediening de spoorbomen openen, maar ook sluiten. Dat had tot gevolg dat de weggebruikers van deze overgang een petitie bij de spoorwegen gingen indienen om een tunnel of brug te bouwen. De passage van de rails zou dan in alle veiligheid kunnen plaatsvinden en werd de wachttijd voor een dichte slagboom gereduceerd tot nul. De petitie werd ingewilligd zodat Mees de autobezitters niet langer meer kon plagen. Dan maar wat anders verzinnen, moest hij gedacht hebben, want enkele weken later had hij een ouderwets seinarm gemaakt. Ook dat ding kon hij te pas en te onpas op afstand bedienen. Voor de treinmachinisten bracht dat natuurlijk veel verwarring met zich mee omdat ze opeens moesten stoppen op een plek waar normaal 140 km. per uur gereden moest worden.

Toen alle kinderen op eigen benen waren gaan staan, overstemde het lawaai van het kibbelende grut of hun blèrende gettoblasters niet langer de herrie van de treinen. Het drong toen pas tot ons door hoeveel decibel een passerende trein teweeg bracht. Een beschadiging aan ons gehoororgaan was het gevolg. We besloten om nogmaals te verhuizen. Nu wonen wij in een zeer stille omgeving, zeker als wij ons gehoorapparaat uit zetten.

(Dit verhaaltje kwam volledig uit mijn duim)

63) Dieren in een dierentuin

Op ons stukje grond grazen schapen, geiten en ezels. In de vijver zwemmen een niet te tellen hoeveelheid goudvissen in allerlei kleuren. In huis zwemmen tropische vissen in een 250 liter aquarium. Tevens dartelen daar drie honden rond, niet in het aquarium. Rond ons huis kunnen wij vogels van diverse pluimages bewonderen: van meesjes tot eksters. En wij genieten van het buitenleven.
Ook andere dieren brengen ons wel eens een bezoekje. De vijver wordt niet alleen bewoond door onze goudvissen. Ieder voorjaar vinden padden dit watertje een aantrekkelijk plekje om zich voort te planten. Dit heeft tot gevolg dat de vijver na de paartijd wordt bedekt door drab. Het lijkt op een verzameling kralenkettingen, maar die babypadden bevatten en op het wateroppervlak drijven.
Het ergste was toch wel de eenzame Heer Kikker. Hij zat nachtenlang luidkeels te kwaken om een vrouwtje te lokken. Zij kwam niet. Ondanks dat ons slaapkamerraam en -luik potdicht zat, had echtgenoot Mees slapeloze nachten door het oorverdovende gekwaak. Allerlei trucs werden toegepast om de kikker te verjagen of te vangen. Niets hielp. Totdat er op een nacht niets meer te horen viel. En die stilte was óók oorverdovend. Het raam kon tot mijn grote genoegen nu wel weer open. Gelukkig voor Mees is Heer Kikker nooit meer teruggekomen.

De opslagplaats in de tuin voor het stro en hooi, is een geliefd plekje voor diverse dieren. Verschillende buurpoezen gebruiken deze huisvesting om hun nakomelingen te baren of om op muizenjacht te gaan. Dit alles tot groot ongenoegen van de honden. De poezen denken zelfs dat het een herberg is om te overnachten. Maar zij eten niet van het hooi of het stro. Dat doen wel de reeën. Regelmatig hebben wij het voorrecht om deze mooie dieren in onze tuin te kunnen spotten. Dat zij een aanslag plegen op onze voorraad droogvoer, nemen we graag voor lief.

Hoewel Nala en Sarabi dwergezeltjes zijn, hebben zij toch een respectabele afmeting en zijn enorm sterk. Schrikken doen zij echter in slow-motion. Toen er eens een wezeltje voor hun voeten voorbij schoot, volgden hun hoofden langzaam het piepkleine beest. Pas toen het uit hun gezichtsveld was, namen zij de benen naar hun veilige stal.
Een jonge poes wekte wél hun belangstelling. Daarmee wilden zij gaan hoofdballen. Dat vond ik nou net iets te ver gaan en probeerde het dier te vangen. Het was helaas geen katje om zonder handschoenen aan te pakken, zo schuw en angstig was het. Slechts nadat ik de lashandschoenen van Mees had aangedaan, kon ik het beest vangen en uit de wei verwijderen. Zo behoedde ik het voor de wilde spelletjes die Nala en Sarabi in gedachten hadden.
De fazant was een ander verhaal. Die wilde ik wel aan ons levende have toevoegen.
Weet je hoe je die fazant bij je kunt houden? vroeg ik bijdehand aan mijn dochter Lisa, door voer naar hem te gooien! en ik voegde de daad bij het woord. Dat had helaas tot gevolg dat de fazant zich doodschrok en klapwiegend de vleugels nam.
De statige eikenboom bij onze tuin wordt regelmatig bezocht door verschillende vogels én natuurlijk de vele eekhoorns. Op een dag kreeg hij een nieuwe vaste bezoeker. Een buizerd maakte er een gewoonte van om iedere dag, op hetzelfde tijdstip, daar enkele uren door te brengen. Hij liet zich daar uitgebreid door ons bewonderen en wij doopten hem Opa Buis. Zelf sloeg hij aandachtig ons gedoe gade, evenals het grazende vee.

Een wallaby verwacht je niet in de Ardennen. Wij waren dan ook stomverbaasd toen wij laat in de avond, tijdens een laatste hondenrondje, iets langs de kant van de weg zagen huppelen. En terwijl de honden normaal gesproken bij alles wat beweegt en wegrent onrustig worden, stonden zij nu stokstijf stil. Hun nekharen gaven je het idee dat zij hun pootjes in het stopcontact hadden gestoken en uit hun kelen kwam een naargeestig gegrom. Verwonderd stonden even later de honden en de wallaby elkaar aan te staren. Nadat het exotische beest genoeg had gezien, huppelde het vrolijk verder. Later bleek dat het ontsnapt was bij een particulier. Hij werd opnieuw getraceerd, gevangen genomen en naar de rechtmatige eigenaar terug gebracht. Gelukkig maar, want dit dier had wel schade aan kunnen richten in onze tuin. Ze eten voornamelijk gras en dat is nou net bestemd voor onze grazers.
Over de vele muizen die ons muizenissen bezorgen, is al geschreven, evenals over de molleninvasie. Rest nog te vermelden dat er laatst een jonge vos het territorium (de tuin) van de honden wilde inpikken. Dat is tot op heden een éénmalige gebeurtenis gebleven. Jammer eigenlijk. Wij hebben geen kippen en de fazant was toch al weggevlogen, dus veel schade zou het dier niet aan kunnen richten. Daarbij komt dat een vos geen hooi of stro eet.

Wat nog niet is gebeurd, maar wel indrukwekkend zou zijn, is om een wolf in onze tuin te ontmoeten.
Op 500 kilometer van de grens van België bevindt zich in Duitsland al een flinke wolvenpopulatie. Deskundigen verwachten dat de dieren hun territoria zullen verleggen naar het westen. Een expert denkt dat ze binnen 10 jaar in Nederlands Limburg zijn. Veel jonge, zwervende wolven zullen ook uit Frankrijk - waar naar schatting 200 tot 800 exemplaren leven - via de Ardennen, Nederlands Limburg binnenkomen. De komst van de wolf wordt toegejuicht, omdat het roofdier zorgt voor een natuurlijk evenwicht tussen de verschillende diersoorten. (Bron L1.)
Volgens Alain Lambert van de Waalse Wolf Conservation Association is het niet nodig om angst te hebben voor de wolf, want het dier mijdt de mens. Mondiaal gezien is er ook maar eens in de vier jaar één wolf/mens-incident. Misschien dat het sprookje over de grote boze wolf eindelijk eens de kop in wordt gedrukt.
Totdat de echte wolf ons een bezoek zal brengen, nemen we maar genoegen met onze “wolf in huskykleren” Kaya, de oude Siberische Husky dame, die nog steeds puberaal (lees: dementerend) gedrag vertoont. Aangezien dit hondenras zeer dicht bij de wolf staat, huilt ze ook als een wolf. Vooral als ze erg blij is, dus niet bij volle maan zoals vaak wordt gedacht. Want ook dat is een sprookje.

64) Ontberingen in Frankrijk

Vanaf eind jaren zeventig tot halverwege de jaren tachtig hebben wij in Frankrijk gewoond. Natuurlijk moesten we aan het Franse gebrabbel wennen, maar nog meer aan de eetgewoonten van ons nieuwe woonland. We begonnen met een smaakonderzoek naar de kazen. Hoewel er een grote verscheidenheid van dit melkproduct te vinden was, kon geen enkel soort onze smaakpapillen strelen. De meesten vonden we smakeloos, zagen er beschimmeld uit of hadden een stank die deed denken aan vieze voeten. Slechts een soort jonge Edammer vonden we wel te eten, maar die werd wel rijkelijk met mosterd besmeerd om er wat meer pit aan te geven. Datzelfde gebeurde met een op ham lijkende worst. Dat hield in dat we wekelijks mosterd hamsterden. Gelukkig was dat in vele smaken in de supermarkt voorhanden.

Helaas voor ons waren veel Hollandse producten toen nog niet te koop. Hierbij valt te denken aan hagelslag. Dat was slechts in hele kleine doosjes te koop en diende om zelfgebakken taartjes mee te decoreren. Te duur dus om royaal als broodbeleg te dienen. Familie stuurde het ons op, omdat men toch wel medelijden met ons had. Zo ging dat ook met de welbekende Hollandse rookworst. Zoute drop was ook een onbekend fenomeen in Frankrijk. Zodoende had de postbode regelmatig bij ons een pakketje af te leveren. In die periode haalde de PTT dan ook een recordwinst binnen, evenals de Franse “La Poste”.
Ooit had iemand een glazen flesje soeparoma opgestuurd. Het flesje was tijdens het transport aan diggelen geslagen en kwam dus leeg bij ons aan. De postzak van de postbode echter, was vol met de inhoud van het flesje en tevens vergeven van de stank. Met veel misbaar overhandigde hij mij het pakketje waarop ik mijn welgemeende excuses aan de brave man aanbood.
Pindakaas was daar ook nog onbekend. Glazen potten op laten sturen, zo bleek, was een hachelijke en risicovolle onderneming. Ik trok daarom mijn keukenschort aan en met behulp van een soort mixer, wat olie en zelf gepelde pinda’s was ik in staat om een potje pindakaas te fabriceren. Gelukkig hielpen onze kinderen mee met pellen. Wel in het geniep, anders zou ik nog aangeklaagd kunnen worden voor het laten uitvoeren van kinderarbeid.

Om de Nederlandse traditie van het Sinterklaasfeest niet te verwaarlozen, mochten onze koters braaf hun schoentje neerzetten. Het vullen van dat schoeisel gaf echter een probleem. In Frankrijk kent men deze goedheiligman niet, zodat het onmogelijk is om chocoladeletters te kopen. Daarom werd ook dit lekkers per post verstuurd uit Holland en door ons in vreugde ontvangen. Hadden de kleintjes niet voor niets hun longen uit hun lijf gezongen.
Niet alle producten die wij moesten ontberen, werden per post bezorgd. Soms kwamen familieleden ons bezoeken en namen behalve hun eigen hebben en houwen, ook nog een koffer mee, gevuld met allerhande Hollandse lekkernijen. Want hoewel de reeds eerder genoemde jonge Edammer te eten was, een stuk Hollandse oude kaas deed ons nog steeds watertanden.
Diepvries patat friet en vleeskroketten waren daar toen ook nog niet te koop. Dus toog ik maar weer zelf aan de slag, want per post versturen van deze lekkernijen was natuurlijk geen optie. Waarschijnlijk is bij mij in Frankrijk mijn huidige afkeer tot koken ontstaan. Een soort kooktrauma, dus.

Eenmaal terug in Nederland, begonnen wij met het hele gezin aan een inhaalslag. De eerste paar maanden aten we slechts, in grote hoeveelheden, die voedingsmiddelen, waar we in Frankrijk bijna zes jaar verstoten van waren geweest. Toen ons normale eetpatroon weer de boventoon ging voeren, werd het eten van die gemiste genotsmiddelen weer een dagelijkse gewoonte. Totdat echtgenoot Mees en ik naar België verhuisden.
De meeste van onze geliefde etenswaren liggen beschikbaar in de schappen van de supermarkt. Pindakaas, hagelslag, rookworst, soeparoma: geen probleem. Diepvries patat friet is er in vele soorten te koop. Vleeskroketten werden eerst nog wel regelmatig door onze kinderen naar België gesmokkeld. Bij onze winkel waren die niet te koop en ik vertikte het ten ene male om weer opnieuw die dingen zelf te maken. Totdat Mees een toko in de buurt ontdekte die wel de snack te koop had.
Wat nog wel steeds in de Belgische supermarkten ontbreekt, is zoute drop. Dat genotsmiddel is voor mij net zo belangrijk als mijn halfzware shag. Wanneer onze kinderen op bezoek komen, kan ik er verzekerd van zijn dat mijn voorraad weer op peil komt. Dat komt dan goed uit want ik ben niet iemand die een ander ongezouten de waarheid kan vertellen. 

65) Waterdruk(te)

Het gras zal altijd groener zijn aan de andere kant van het gaas. Om dat te voorkomen moeten echtgenoot Mees en ik het weitje van onze dieren in tijden van langdurige droogte beregenen, zoals dat met een mooi woord heet. Het is voor ons namelijk erg vervelend om steeds te moeten constateren dat onze geiten het gras aan de andere kant van het gaas prefereren boven hun eigen gras. Aangezien de horens van geiten op weerhaken aan een vishaakje lijken, gebeurt het regelmatig dat een geit met haar kop vast zit in het gaas. Er moet dus gesproeid worden. Met een gieter is het onbegonnen werk. Het veld waarop onze dieren grazen, heeft toch al gauw een oppervlakte van 900m². Een gewone tuinslang is een optie. Maar om langdurig met zon stuk plastic in je handen te staan is doodvervelend. Kattenkwaad komt dan al gauw om de hoek kijken en aan het eind van het liedje is alles en iedereen nat, behalve de wei. Zodoende besloten wij om een “volautomatische” tuinsproeier aan te schaffen. Dat scheelde veel tijd en menselijke energie. Door het regelmatig te verplaatsen blijft het gras net zo groen, als aan de andere kant van het gaas. De sproeier heeft een spanwijdte van vier meter, en kan vijf meter naar voren en naar achteren spuiten. Dat resulteert in een nat oppervlak van 40m² per plaatsing. Na twintig verplaatsingen zou dus het hele weiland een beurt hebben gehad. Althans in theorie.

In de praktijk pakt het anders uit, juist dan, wanneer het droog en warm is. De hele buurt vindt het dan nodig om de talloze kinderbadjes te vullen, hun eigen tuin te sproeien of veelvuldig te gaan douchen. Dat heeft verstrekkende gevolgen voor iedereen. De toch al niet hoge druk in onze waterleiding, zakt tot een minimum. De gevolgen daarvan zijn voor iedereen merkbaar: een zwembadje vullen duurt vele dagen en douchen wordt een tijdrovende bezigheid. En de tuin sproeien? Dat wordt echt een lachwekkende vertoning. Een slap, miezerig straaltje is het enige wat uit de tuinslang zich een weg naar buiten weet te worstelen. Onze tuinsproeier voldoet ook dàn niet meer aan de eisen. De spanwijdte van vier meter wordt gereduceerd tot tien centimeter en de spuitafstand blijft beperkt tot twee maal vijf centimeter, i.p.v. twee maal vijf meter. Gevolg: het gesproeide oppervak is verkleind tot 1m², wat inhoudt dat we het minimaal achthonderd keer moeten verplaatsen. Een hopeloze en nutteloze bezigheid. Wanneer je de laatste vierkante meter hebt besproeid, kan je weer opnieuw beginnen. Tel daar nog bij op, dat de ezeltjes er een waar genoegen in scheppen om met de slang en sproeier aan de haal te gaan en zo onnodige verplaatsingen verrichten. Omdat de ezeltjes het ook nog eens leuk vinden om op de slang te kauwen, is het gevolg dat er weinig tot geen water uit de sproeier komt.

Wij kwamen tot de conclusie dat het ding alleen maar nuttig werk kan verrichten als er niemand anders uit de buurt een kraan heeft open staan en de ezeltjes op stal staan. Dan maar in de nachtelijke uurtjes sproeien? Nee, daar is onze nachtrust te heilig voor. Wij geven het maar op, om ons gras groen te houden en hopen dat een nat meteorologisch element de taak van de sproeier over gaat nemen.

66) Treinen en seinen

Na het digitaliseren van al onze foto’s en later ook onze homevideo’s, begon echtgenoot Mees zich al aardig thuis te voelen in het digitale tijdperk. Verwonderd over de vele moderne technieken, wilde hij verder gaan dan foto’s en films op DVD’s branden. Zo vernam hij, dat je ook een modelspoorbaan kan digitaliseren. Dat houdt niet in dat de treintjes gescand en op een DVD terecht komen, maar vanuit een centrale, digitaal aangestuurd worden met behulp van een speciaal software programma.
Al snel werden onze avonden gevuld met ellenlange discussies, overwegingen en besluitvormingen. Onze gespreksstof zou voor veel toehoorders onbegrijpelijk zijn geweest. De begrippen: bezet- en terugmelders, wisseldecoder, en kop-staartbotsing vlogen tijdens onze gesprekken als irritante vliegen door de lucht. Maar praatjes vullen geen gaatjes en de daad moest bij het woord gevoegd worden.

Natuurlijk ging Mees niet over één nacht ijs. Hij downloadde stapels handleidingen, printte die en sloeg aan het studeren. Toen hij een keuze had gemaakt moest al het materiaal nog aangeschaft worden. Aangezien de eerste leverancier verstek liet gaan met het afleveren van de goederen, maakten wij in januari 2010 een reisje naar Aken (Duitsland). Die leverancier had het benodigde materiaal wel in voorraad. Nu al het materiaal voorhanden was, kon Mees beginnen met de aanpassingen aan zijn spoorbaan. Dat was natuurlijk niet in één dag gepiept. Daardoor kwam het dat ik dagenlang alleen mijn dagen moest doorbrengen. Slechts bij de maaltijden én in bed kon ik van de aanwezigheid van Mees genieten. Maar het hield hem wel van de straat en uit de kroeg.

Vele weken later waren de meeste aanpassingen gerealiseerd en kon een proefrit met één van de treinen gemaakt worden. Zonder slag of stoot, stoppend wanneer het moest en gebruikmakend van de blokbeveiligingen, kwam de proeftrein zonder te ontsporen, heelhuids aan op het station. Daarna werd er met alle treinen proef gereden. Na het genezen van enkele kleine kinderziektes kon het hele spoorwegnet veilig worden verklaard. Ongelukken veroorzaakt door het rijden door het rode sein is nu iets uit een grijs verleden. Zodra dat toch zou gebeuren treedt het blokbeveiligingssysteem in werking. Ook ongevallen door seinstoringen behoren nu tot iets uit de middeleeuwen. Alles wordt centraal geregeld. Slechts ontsporingen, door te snel rijden, komen nog wel eens voor. Vooral op de wisselstraten. Toch maar snelheidsbegrenzers installeren?
Dankzij de digitale aansturing van de treinen, in combinatie met het software programma “Koploper” op zijn laptop, heeft Mees op zijn modelspoorbaan nu geen storingen en/of ongevallen met fatale afloop meer. En dat alles zonder machinisten. Met de opbouw van de spoorbaan en bijbehorende landschappen is hij ruim vijftien jaar bezig geweest. Echter het beveiligen met digitale componenten nam een maand of vier in beslag. Lang?

De Belgische en Nederlandse spoorwegen bestaan al veel langer en nog steeds gebeuren er ernstige treinongelukken met dodelijke afloop. Waarschijnlijk door de vele aangekondigde en niet aangekondigde stakingen, hebben er in België de laatste tijd weinig ongelukken plaatsgevonden. Maar even zo goed staat België, qua treinongelukken, op de twaalfde plaats van de 27 EU landen, meldde het dagblad “De Tijd“. Niet iets om trots op te zijn. Het is ook bekend dat in België, maar ook in Nederland, elk jaar opnieuw méér treinen door rood licht rijden. In 2009 was dat in België 97 keer, een nieuw record. Op zijn vroegst in 2013 zullen in België de treinen automatisch stoppen als een machinist door rood licht rijdt. (Bron: De Standaard / VRT)
Wij snappen hier niets van. Waarom kan een echt spoorwegennet niet zo veilig worden als de modelspoorbaan van Mees? In deze tijd, waarin men gebruik kan maken van de modernste technieken, is het nog steeds mogelijk om door een rood sein te rijden. Seinstoringen worden niet of te laat opgemerkt en de treinen rijden nog vaak te hard op de wisselstraten. De handen van Mees jeuken om, te beginnen met België, de spoorwegnetten aan te pakken, op dezelfde manier als hij bij zijn eigen modelspoorbaan heeft gedaan.
Helaas heeft hij daar geen tijd voor: hij is nu met pensioen!

67) Zilver in Zwitserland -1-

Beiden getooid met een zilveren hoedje op het hoofd stonden wij, als twee uitgelaten pubers, te wachten in het treinstation van Utrecht. Binnen enkele minuten zou de Alpen-Express arriveren, de speciale trein waarmee wij naar Zwitserland zouden reizen. Het was december 1996 en over drie dagen wilden wij ons vijfentwintig jarig huwelijk vieren. Om te ontkomen aan de traditionele feestviering, hadden wij ons zelf een wintersportvakantie cadeau gedaan. Nooit eerder hadden wij een vakantie doorgebracht in de sneeuw. Maar ja, je moet nou eenmaal zoveel mogelijk meegemaakt hebben in je leven. Wij hadden in de trein een tweepersoons slaapcoupé geboekt, zodat wij verzekerd waren van voldoende privacy. Er stond ons immers een lange, nachtelijke rit te wachten. Het gesnurk van andere reizigers zou ons op die manier ook bespaard blijven. In de trein begon eigenlijk al onze vakantie. We hadden een privésteward, die op ons verzoek de nodige hapjes en drankjes verschafte. Ook maakte hij onze bedden op toen wij wilden gaan slapen. Echt heel luxe, die verwennerij. Die nacht kwam van slapen echter niet veel. Liggend in een stapelbed, hadden wij het idee dat wij ons in een kermisattractie bevonden. Vooral als de trein een bocht moest nemen, joelden wij als uitgelaten tieners, bang dat wij uit ons bed zouden kukelen. Toch sliepen wij nog een paar uurtjes. Nadat wij wakker waren, ruimde onze butler de beddentroep op, zodat wij weer normaal konden zitten en genieten van het mooie uitzicht. Even later bracht hij ons een uitgebreid ontbijt, waar wij hongerig op aanvielen.

Bij ons overstapstation in Brig bekeken wij vol bewondering de witte toppen van het Berner Oberland en van Wallis. Veel sneeuw lag er in Brig nog niet, dus wij hielden ons hart vast hoe het in Kandersteg, onze eindbestemming, zou zijn. Een uur later bleek onze angst ongegrond. Het had daar de afgelopen nacht volop gesneeuwd. Toen wij uit de trein stapten en de omgeving in ons opnamen, vielen onze monden tot het maximum open en onze ogen werden nog groter dan schoteltjes. Overmand door zo veel schoonheid liepen wij, met onze hoofden omhoog gericht, naar ons tijdelijk onderkomen. Wij waren niet in staat om meer te zeggen dan Ooooooh, wat mooi! In de middag konden wij onze kamer betrekken, zodat wij de mogelijkheid hadden om op ons gemak het dorp te verkennen. Tevens gingen wij vast langlauflessen bespreken alsook de bijbehorende skis reserveren. Aan alpineskiën wilden wij ons nog niet wagen; eerst maar eens ervaren hoe het is om met een lage snelheid onderuit te gaan in de sneeuw.
Tijdens het diner die avond, zat echtgenoot Mees mij langdurig aan te staren. Op mijn vraag of er iets mis was met mijn haardos, antwoordde hij: Lieverd, je straalt zo veel licht uit".Dat kon ook niet anders: een internationale treinreis, een verblijf in een hotel, (= niet zelf koken), even een week geen “Mama!” en een wintersportvakantie, dat alles was voor mij de eerste keer. Ik wist toen al dat deze vakantie een speciaal plekje in mijn hart zou krijgen.

De volgende ochtend vertrokken wij, na het ontbijt, naar het verhuuradres om onze langlaufski’s op te halen. Gewapend met deze lange latten togen wij naar het langlaufklasje waar de leraar ons voorstelde aan onze klasgenoten. Twee Engelse dames, een Franse jongeman en twee heren uit Duitsland gingen met ons de uitdaging aan om rechtop te blijven staan op die onhandige smalle planken. Een bijkomende handicap voor ons, was onze kleding. Er van uitgaande dat het in de hoge gebieden van Zwitserland erg koud zou zijn, hadden we onder onze ski-overall ook nog een spijkerbroek aan. Om ons bovenlijf tegen de kou te beschermen hadden we een fleece pullover en een dik, gewatteerd jack aan. Ook hoofd en handen hadden wij dik ingepakt. Dat onze kledingkeuze niet de juiste was, bleek al snel. We hadden veel te weinig bewegingsvrijheid en nadat wij geprobeerd hadden om enkele meters voorwaarts te komen, voelden wij ons alsof wij in een sauna terecht waren gekomen. Door de inspanningen die wij moesten leveren, liep al snel het zweet over onze rug en andere lichaamsdelen. Nadat wij op die manier een uur geploeterd hadden, zei onze meester eindelijk: “Auf Wiedersehen und bis morgen.”

Er naar uitkijken deed ik niet echt. Het was werkelijk een aanslag op mijn conditie, die bijzonder slecht was. Onze eerste daad in het hotel was ons ontdoen van die vele lagen kleding, gevolgd door een uitgebreide douchebeurt. Toen wij daarna ons interne vochtgehalte op een aannemelijk peil hadden gebracht, gingen wij met een cabinelift de hogere sferen opzoeken. Op een hoogte van ruim 1900 meter maakten we nog een lange wandeling om onze beenspieren even iets anders te laten doen. Tijdens het lopen, zocht ik naar een acceptabele excuus om de volgende dag te ontkomen aan die vermaledijde langlaufles, maar kon er niet één bedenken. Moedwillig mijn been breken, vond ik net iets te ver gaan. Ik zou dus wederom een uitputtingsslag moeten leveren, maar daarover een volgende keer.

68) Zilver in Zwitserland -slot-

De gevolgen van onze eerste langgflaufles van de vorige dag, bleken prominent in mijn spieren aanwezig te zijn. Strompelend begaf ik me naar de ontbijtzaal van ons hotel, met in mijn kielzog echtgenoot Mees. Zijn veerkrachtige pas was verdwenen en ook hij had moeite om zijn ene been voor het andere te plaatsen. De tweede nacht in ons tijdelijk onderkomen hadden we goed doorgebracht, hoewel wij beiden geplaagd werden door nachtmerries over gebroken benen (wens of angst?). Na het ontbijt en enkele koppen koffie, vertrokken wij naar de langlaufklas voor de tweede les. Aangezien de zon verstek liet gaan en er lichte sneeuwval te bemerken was, hadden wij dezelfde hoeveelheid kleding aangetrokken als tijdens de eerste les. Verkeerde keuze. Halverwege deze les kregen wij onderricht in het bestijgen van een kleine heuvel. Na drie keer klimmen gaf ik er de brui aan. Het zweet droop van mijn rug en ademhalen was voor mij bijna onmogelijk geworden. Ik bedankte de leraar voor zijn gedane moeite en met de latten onder mijn arm nam ik de kuierlatten. Met Mees sprak ik af dat ik in het dorp op hem zou wachten, want hij wilde de les wel afmaken.
Aangekomen bij ons rendez-vous plekje, deed ik eerst mijn veel te dikke jack uit. Daarna plofte ik als een dampend paard en hijgend als een stoomlocomotief, op de grond, met mijn rug tegen de muur geleund. Vijf minuten later wilde ik weer opstaan, maar door mijn vochtproductie, in combinatie met de lage temperatuur, zat ik vastgevroren aan de muur. Met een hete luchtkanon heeft de opgeroepen brandweer mij weer los gekregen. Net op dat moment arriveerde Mees. Enige uitleg over de reden van de komst van deze hulpverleners was wel op zijn plaats, waarna hij in lachen uitbarstte.
Na een frisse douche en een stevige lunch zochten wij het weer zonder latten hogerop. Met een stoeltjeslift lieten wij ons op een hoogte van bijna 1600 meter brengen. De rust was daarboven enorm en andere toeristen konden wij op dat moment niet waarnemen. Wij beloofden aan elkaar om daar de volgende dag te gaan langlaufen. De lessen waren immers afgelopen, nu was het slechts een kwestie van oefenen.

De volgende ochtend voegden wij de daad bij het woord. Aangekomen op het eindstation van de stoeltjeslift, leek het of er meer mensen van de rust wilden genieten. Het was uitgesloten voor ons om in alle eenzaamheid ons gestuntel op de ski's uit te voeren. Wel constateerden wij dat hun latten er anders uit zagen. Het bleek dat het van die heldhaftige alpineskiërs waren en dat zij niet de intentie hadden om langdurig boven te vertoeven. Zo hadden wij toch het rijk voor ons alleen - dachten we: meer langlaufers zochten hun heil op deze mooie plek. Wij deden net alsof het voor ons de normaalste zaak van de wereld was om hier te gaan langlaufen. Aangezien wij minder kleding aan hadden getrokken dan de twee voorgaande dagen, ging het een stuk eenvoudiger. Wel hadden we voor een simpele route gekozen. Dat was een goede beslissing, want hoewel het met de minuut beter ging, echt vloeiend kwamen wij nog niet vooruit. De valpartijen, vooral van mij, waren nog talrijk, maar de sneeuw was zacht.
Na drie uur besloten wij om terug naar het dal te gaan. De obligate douche sloegen wij niet over en verkwikt en opgefrist gingen wij daarna nog een stuk wandelen.

De dagen die ons nog restten, brachten wij met langlaufen en wandelen door. Het gebruik van die dunne, lange latten ging ons steeds beter af. We gingen zelfs buiten de loipes ons geluk beproeven. Het was wel een stuk zwaarder dan wanneer je netjes in de gespürte loipes bleef. Alleen was het dan niet nodig om een uitgezette route te nemen. Dat maakte het voor ons wat avontuurlijker. Soms bleven we even staan kijken als we in de buurt van een piste voor alpineskiërs waren. Hoe die met een duizelingwekkende snelheid naar beneden suisden, dwong bij ons bewondering af. Of wij ooit de moed konden opbrengen om dat ook eens te doen, bleef voor ons een vraag. Voorlopig hielden wij het maar bij het langlaufen.
Op één van de laatste dagen gingen wij nogmaals met de cabinelift omhoog. We wilden graag ook op grote hoogte deze vermoeiende sport uitoefenen. Toen we uitstapten, leek het wel of we op de Noordpool waren. Een enorme wind veroorzaakte een sneeuwstorm, die zijn weerga niet kende. De loipes waren niet meer te onderscheiden, zodat wij met de latten op onze schouders maar gingen wandelen. Zelfs dat gaf problemen met het zicht. We lieten ons daarom met de cabinelift naar het dal brengen, waar we in rustigere weersomstandigheden nog een prachtige tocht van twaalf kilometer maakten.

Natuurlijk komt er aan elke vakantie een einde. Met veel spijt in ons hart brachten wij de laatste dag de ski's weer terug. Het afscheid met de hoteleigenaren viel ons zwaar, ze waren geweldig geweest. Toch hadden we het gevoel dat het geen vaarwel was. Zowel Mees, als ik, hadden het voornemen om hier nog een keer naar toe te gaan. Het leek ons een grote uitdaging om het alpineskiën zelf te ervaren.
De treinreis naar Nederland verliep prima. Het slapen, dat wij met de heenreis als een kermisattractie hadden ervaren, gaf ons ditmaal geen probleem. Wij genoten wederom van de luxe verwennerij door onze steward en veel te snel waren wij weer thuis.

Kandersteg had ons hart gestolen. Wij zijn er daarna nog twee keer terug geweest: in de zomer én de winter daarop volgend.
En ja, in die winter hebben we daar het alpineskiën onder de knie gekregen.

69) Ophalen en/of bezorgen

Echtgenoot Mees had al vaak bij “Het Bedrijf” besteld. Die artikelen werden daarna snel en zonder problemen bezorgd. Zo ook een keer in februari 2010. Bij nadere inspectie van het bestelde, kwam hij tot de ontdekking dat iets niet aan zijn verwachting voldeed. Netjes binnen de termijn maakte hij een telefonische melding bij “Het Bedrijf” dat er een retourzending bij hem opgehaald kon worden.
“Komt voor elkaar, meneer”, antwoordde de dame van de afdeling pakjesophalen,“woensdag wordt het pakje bij u opgehaald door “PDP” uit België, die het dan overdraagt aan “ZXY” uit Nederland. Het bedrag van de creditnota wordt dan zo spoedig mogelijk aan u overgemaakt”.
Het ophalen van het pakje gebeurde een dag later dan afgesproken. De chauffeur vertoonde een verwarde indruk, nu hij een pakje moest ophalen in plaats van bezorgen. Hij had gelukkig nog wel de tegenwoordigheid van geest om het retourbonnetje aan Mees te geven.

Twee weken gingen voorbij, waarin ik bijna dagelijks onze diverse bankrekeningen checkte of het geld al gecrediteerd was. Ik zat én zit graag op mijn centen. Toen er na drie weken nog geen euro was overgemaakt, moest Mees van mij maar eens informeren bij “Het Bedrijf” om te vragen waar ons geld bleef van de creditnota. Nadat alle gegevens waren gecontroleerd sprak de dame van de afdeling geldterugstorten:“Komt voor elkaar meneer, nog een klein weekje geduld”.
Twee dagen later stopte een bestelwagen van “PDP” voor onze deur. De onderkaak van Mees bereikte het niveau van zijn hielen toen hij zag dat het pakje, dat de chauffeur aan hem wilde overhandigen, hetzelfde was als dat hij twee weken daarvoor had laten ophalen. Uiteraard weigerde Mees om het pakje in ontvangst te nemen. De chauffeur begreep de weigering en verdween als een geslagen hond. Mees ging weer bellen met “Het Bedrijf”. Natuurlijk moest hij de hele geschiedenis weer opnieuw uitleggen. De dame van de afdeling geweigerdepakjes antwoordde: “Komt voor elkaar meneer, nog een klein weekje geduld”.

Vier dagen later kwamen wij thuis van ons wekelijkse uitje (= boodschappen doen). Bij het naderen van de voordeur zag ik dat Mees wit wegtrok, waarna zijn huidskeur veranderde tot ziekelijk paars. Ik volgde zijn gebiologeerde blik en barstte van ongeloof in een schaterende lach uit. Wat stond daar opengemaakt, verfrommeld en voorzien van zes etiketten voor de deur? Juist ja, het pakje dat al eerder door ons als retourzending was aangeboden.
Nadat Mees enigszins was gekalmeerd, telefoneerde hij wéér met “Het bedrijf” om zijn beklag te doen. Hij vertelde de dame van de afdeling ontstemdeklanten, dat hij op zijn zachts gezegd lichtelijk ontstemd was over de gang van zaken. Met wederzijdse goedkeuring kwamen zij overeen dat het pakje opnieuw bij ons opgehaald zou worden door “PDP”.
“Wanneer?” vroeg Mees.
“Dat laat ik u over een half uurtje weten”, antwoordde de dame en bijna had zij er aan toegevoegd: Het komt allemaal voor elkaar, meneer. Gelukkig voor haar zei ze dat niet, want zij belde niet terug. Dat deed ze de volgende dag met de boodschap dat de dag daarná het pakje, wederom, opgehaald zou worden. Vol spanning keken wij uit naar die dag. We hadden het voornemen om de chauffeur van de besteldienst duidelijk verstaan te geven, dat wij het pakje nooit en te nimmer weerom wilden zien. De chauffeur kwam niet! Bij navraag bij “Het Bedrijf”, waar Mees natuurlijk weer zijn verhaal deed, zeiden ze dat de chauffeur van “PDP” was vergeten om het bij ons op te halen. Het zou de volgende dag gebeuren!

In afwachting van het oplossen van de misstanden, liet de afdeling klantiskoning weten dat zij Mees toch graag als klant wilde behouden. Zij stelde voor om bij zijn volgende bestelling vijf procent korting te geven én geen verzendkosten in rekening te brengen. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd en rap bestelde Mees een waslijst van artikelen, want het was gebleken dat bezorgen geen probleem was voor “PDP”. Het verschuldigde bedrag zou verrekend worden met de creditnota van de retourzending. Wanneer die bij “Het Bedrijf” zou arriveren wist niemand. Toch werd onze retourzending alsnog opgehaald.

Toen de man onze lange, steile oprijlaan opkroop, reageerden geen van de honden. Zij waren al zo aan hem gewend geraakt, dat zij hem als gemeengoed beschouwden. Op mijn opmerking dat wij het pakje nooit meer wilden zien, antwoordde de chauffeur: “Ik ook niet, tis mijn fout niet”.
Wij gaven hem het voordeel van de twijfel. Iedereen is immers onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. En dan nog zonder gerede twijfel. Zou de man de moed hebben om binnenkort het pakket met de nieuwe artikelen voor Mees te bezorgen of zou hij denken dat het weer de retourzending is? Hopelijk niet, anders zou dit keer ook de bezorging een hoop rompslomp geven.
Drie dagen later stond onze vaste chauffeur van “PDP” wéér bij ons op de stoep. Een beetje weifelend en schaapachtig lachend, overhandigde hij de bestelling. Hij verwachtte blijkbaar dat hij ermee om de oren zou worden geslagen. Mees verzekerde de brave man, dat het goed was. De man nam snel het hazenpad en rende in galop de lange, steile oprijlaan af.

Aangezien de retourzending nog steeds niet bij “HetBedrijf” was aangekomen, bleef de creditnota ook achterwege. Ik had me er al bij neergelegd dat het misschien te zijner tijd een leuke aanvulling op ons pensioen zou worden.
Pas half april kon er melding gemaakt worden dat het pakje eindelijk in het hoofdmagazijn als retourzending was aangekomen. De dame van de afdeling geldterugstorten beloofde dat het geld zéér binnenkort op onze rekening gestort zou worden. Maar wachten op je geld is niet mijn sterkste kant. Zodoende nam Mees van de gelegenheid gebruik om opnieuw een bestelling te plaatsen mét korting en zonder verzendkosten. Het bedrag van die bestelling werd met de nog openstaande creditnota verrekend. En zo kwam alles, na drie maanden, toch nog goed.
Nu ik al deze herinneringen heb opgehaald, kom ik tot de ontdekking dat het hele gedoe ons veel soesa heeft bezorgd. 

70) Kajakperikelen

Als doorgewinterde ex-watersporter, kon ik het niet nalaten een keer te gaan varen op de Ourthe, die op loopafstand van ons huis stroomt. Ik ging niet alleen. Samen met middelste kind Lisa, ging ik een kajak huren. Wij hadden veel plezier en riepen elkaar echte scheepstermen toe bij het wijzigen van de koers. Uiteraard waren we niet alleen op die mooie zomerse dag. Af en toe leek het wel of er een complete Carrier Battle Group (oorlogsbodem) was uitgevaren. Het vliegdekschip met zijn beschermende escorte ontbrak, maar het aantal “schepen” wat op het water was, kwam aardig overeen.

 Nog leuker is het bekijken van kajakvaarders vanaf de oever. Daarom zie je mij in de zomermaanden vaak aan de waterkant. Het gestuntel en geploeter van die sportievelingen ontlokt me vaak een grijns of nog erger, een lachbui. Zoals die keer dat een echtpaar samen in één kajak zat. In plaats van synchroon te peddelen, lukte het Ma maar niet om het ritme vast te houden. Pa kreeg daar schoon genoeg van, omdat de de boot daardoor niet mooi door het water gleed. Na een korte woordenwisseling tussen het echtpaar, legde zij gedecideerd haar peddels op haar schoot en maakte aan hem kenbaar dat hij de pot op kon en maar alléén moest peddelen in die verrekte rotboot.

Soms neemt een echtpaar ieder apart een kajak. Dat voorkomt niet altijd een strijd tussen de echtelieden. Pa maant Ma aan om sneller te peddelen, wat zij met geen mogelijkheid voor elkaar krijgt: zij is aan de grond gelopen. Door het stromende water kan hij geen halt houden en al snel is hij al bij het eindpunt, terwijl zij nog bij het startpunt zit te worstelen. Ten einde raad stapt ze uit de kajak omdat ding vlot te trekken, maar in haar woede laat ze de kajak schieten en drijft, zonder haar, naar Luik. Ze strompelt door het water terug naar de opstapplaats en blijft daar, zich verbijtend, wachten totdat haar wederhelft met het busje weerom komt.

Een ander mooi schouwspel geeft een verliefd stelletje in een kajak. Interesse voor de omgeving hebben zij niet. Zij hebben slechts oog voor elkaar. Hun handen houden niet de peddels, maar elkaar vast. Daarom zie je die kajaks, met dat soort bemanningsleden, doelloos rondzwalken en al draaiend hun eindbestemming bereiken (als de boot tenminste niet aan de grond loopt).

Ook vermakelijk: Pa en kind in een kajak, Ma met ander kind in een tweede kajak. De kleine deugnieten willen eigenlijk maar één ding: klieren. Dus wordt er enthousiast door de kleintjes met de peddels naar elkaar gespetterd. Pa en Ma vinden dat op z’n zachts gezegd niet leuk en over en weer worden vermaningen naar de deugnieten geroepen, waar heel het volk van kan meegenieten. Ze beseffen schijnbaar niet dat geluid over water erg ver draagt.

Dat de meeste kajakvaarders geen besef hebben van de opwaartse druk van het water, schetst volgende situatie: de kajak is aan de grond gelopen en één van de opvarenden stapt manmoedig in het water. Er wordt geduwd en getrokken aan de kajak en… het ding komt vlot, mede door het feit dat er zich één persoon minder in de boot bevindt. De nattevoeteneigenaar springt met veel bravoure de kajak weer in maar helaas, door zijn eigen gewicht loopt het ding weer vast. Gevloek en getier is het resultaat. Slechts een enkele keer zien de kajakvaarders daar zelf de humor van in en krijgen de slappe lach. Mies kan dan naar hartenlust mee lachen, zonder dat zij zich achter een dikke boom moet verschuilen.

Natuurlijk wordt er bij mooi weer niet alleen ophet water vertoefd. In het water is het ook aangenaam verpozen. Er wordt dan volop gezwommen, geplonsd en gespetterd. Dat wordt door menig visser met lede ogen aanschouwd. In het grootste gedeelte van de benedenloop van de Ourthe is het namelijk verboden om als visser het water te betreden (= wadend vissen). Dit ter voorkoming van het verstoren van de waterbewoners. Conclusie: hoe krom kan een wet uit 1954 zijn.

Denk niet dat men te allen tijde kan kajakken. Indien de stroomsnelheid een minimum of maximum grens heeft bereikt, is het ten strengste verboden met een recreatief vaartuig o.a. grote delen van de Ourthe te bevaren. Dit tot groot genoegen van echtgenoot Mees. Kan hij weer eens vlak bij huis gaan vissen.  

71) Mies wordt zestig jaar

Toen ik in oktober 2010 zestig jaar zou worden, wilde ik dat graag met alle toeters en bellen vieren. Er deed zich echter een probleem voor. Het bleek onmogelijk om al onze kinderen op één dag in België te krijgen. De oplossing kwam van onze middelste, Lisa.
“Hé Mies, als we nou eens mijn verjaardag en die van jou op één dag in Holland vieren?”
Het leek mij een goed plan. Groot was dan ook mijn verwondering toen onze jongste, Bas, aankondigde dat hij veertien dagen vóór de geplande feestdag, een weekendje naar België wilde komen. Op het afgesproken weekend kwam Bas met zijn vrouw Anja en hun, toen driejarige, zoon Thomas ons huis overbevolken. Natuurlijk genoot ik met volle teugen van hun aanwezigheid. Thomas wilde steeds mee om de honden hun broodnodige wandelingen te geven. Tevens vond hij het heerlijk om Opa-Mees te helpen met het verzorgen van de ezels en de geiten. Het spelen met de drie honden was voor de kleine man ook een favoriete bezigheid. Maar het mooist vond hij toch als Opa-Mees, voor de zoveelste keer, de treintjes op zijn modelspoorbaan liet rijden.

De volgende dag reed echtgenoot Mees onze auto uit de garage want er moest getafeltennist worden. Hij nam gelijk van de gelegenheid gebruik om de garage te stofzuigen. Bizar hoor. Ik vroeg hem of hij een stofzuigvirus had opgelopen, maar dat ontkende hij. Nadat iedereen wel een keer tegen elkaar had getafeltennist, werd het tijd voor wat rust. Ook Thomas, die maar net met zijn hoofdje boven de tennistafel uitkwam, had er genoeg van.
Net toen ik het plan had om de honden uit te laten, zei schoondochter Anja: “Mies, ik denk dat je visite krijgt.” Oh nee, dacht ik, niet nu ik net een deel van mijn kinderen om me heen heb. Toch nieuwsgierig geworden, gluurde ik naar buiten en viel bijna van mijn stokkie toen ik zag wie er de lange, steile oprijlaan op kwamen rijden. Vlug rende ik naar buiten en was niet in staat om één woord uit te brengen: ik kon Lisa, onze oudste Vera en hun respectievelijke partners André en Peter omarmen. Ik lette wel op dat ik kleinzoon Jelle niet verpletterde in mijn omhelzing, die breedlachend op de arm van zijn pa zat. En terwijl ik probeerde mijn verbazing onder woorden te brengen, stroomden de tranen over mijn wangen. “Het lijkt wel of ik droom”, wist ik toch nog te stamelen. Ondertussen werden de twee auto’s van hun vracht ontdaan. Die bestond uit kratten met voedsel, drank en zelfs toiletpapier. De kinderen hadden werkelijk overal aan gedacht, zich realiserend dat ik natuurlijk nooit had gerekend op een mee-etende invasie van vijf extra personen. IJverig hielp ik mee om de auto’s leeg te halen en dat kwam goed uit. Zo hadden Bas en Anja de gelegenheid om nog extra slingers en ballonnen in de kamer op te hangen en een levensgrote poster van mij. Toen de gemoederen enigszins waren bedaard en mijn tranenstroom eindelijk was gestopt, kreeg ik te horen dat dit alles een ruim van te voren opgezet plan was geweest.

Nadat het diner, met vele handen in elkaar geboetseerd, verorberd was, kwam de koffie met taart. Daarop stond een afbeelding van mij en de tekst: "60 kaarsjes op een taart, onze Mies wordt al bejaard" en weer kwamen er tranen bij mij. Toen ik een mand kreeg, afgeladen met boeken en DVD’s ter gelegenheid van mijn 60e verjaardag, gingen mijn sluizen alweer open. Verwonderd vroeg ik aan de kinderen waarom er geen doos papieren zakdoekjes in de mand te vinden was. Ook kreeg ik van beide kleinzoons zelfgemaakte knutseldingetjes. Maar het was nog niet gedaan met de verrassingen.
Ik had wel gezien dat Mees en Vera met een DVD in de weer waren, maar had daar niet te veel aandacht aangeschonken. Toen vroeg Vera om ieders aandacht. Zij wilde graag alle aanwezigen iets laten zien. De DVD werd gestart en iedereen zag een filmpje van een echografie waarop een foetus te zien was. Ik snelde naar de TV om de tekst te kunnen lezen en zag dat de echo gemaakt was bij een mensen-verloskundigenpraktijk. Dit deed ik, omdat ik bij haar eerste “ik-ben-zwanger-” mededeling, dacht dat ik naar een echografie van een paardenfoetus zat te staren . Kreten van ongeloof uit vele kelen vlogen door de kamer en weer begon ik te snotteren en te snuffen. Ik blijf een jankert. Vera en Peter werden natuurlijk door iedereen gefeliciteerd met hun a.s. tweede kindje.

Toen de feestavond achter de rug was en iedereen in bed lag, voelde ik me enorm tevreden. Niet door de vele cadeautjes. Maar dat al mijn kinderen zo ontzettend veel moeite hadden gedaan om deze dag voor mij onvergetelijk te maken, stemde mij het meest gelukkig, samen met de wetenschap, dat ik voor de derde keer oma zou worden.

72) Droom of werkelijkheid?

In mei 2011 had ik een droom waarin ik samen met echtgenoot Mees naar Nederland ging. De rit neemt normaal gesproken drie uur in beslag. Helaas duurde de reis deze keer, voor mijn gevoel, zes uur. Op onze bestemming aangekomen, zagen wij ons oudste kind Vera met haar pasgeboren zoontje Bobbie in het kraambed liggen glunderen. Haar ogen glommen als flonkerende sterren, zo trots was ze. Ook ons middelste kind Lisa kwam op kraamvisite. Na vele óóch’s en áách’s, werd het voor Mees al weer tijd om afscheid te nemen - hij moest weer terug naar België om voor onze dieren te zorgen. Daarna reed ik samen met Lisa en Jelle, het achttien maanden oude zoontje van Vera, naar ons jongste kind Bas. Zijn zoontje Thomas was immers jarig vandaag en vierde de bijzondere leeftijd van vier jaar. Na een paar uurtjes van het jarige manneke te hebben genoten, ging ik met Lisa en Jelle weer op weg naar Vera. Gelukkig hield mijn droom hier niet op.

Een spartelende, krijsende baby moest voorzien worden van een schone, piepkleine luier. Dat kostte mij veel bloed, zweet en tranen, aangezien het al een tijd geleden was dat ik dat voor het laatst had gedaan - maar het lukte. Daarna moest de dwarse, nee-zeggende peuter Jelle verschoond worden. Het verschil in billenmaat was het eerste was mij opviel. Na dit gevecht moest ik even op adem komen voordat ik hem zijn "naar bed gaan ritueel" kon laten uitvoeren. En na een “Welterusten, slaap maar lekker kabouter”, viel hij uitgeblust in slaap. Een uitgeblust gevoel had zich ook van mij meester gemaakt, maar er stond mij nog werk te wachten. Er moesten supermini T-shirtjes opgevouwen worden evenals kabouter shirtjes en reuzen truien. De dagen bij Vera werden tevens gevuld met het naar bed sturen van de jonge kraamvrouw, flesjes klaar maken én geven en oneetbare prut bij Jelle naar binnen lepelen. Ook deed ik de boodschappen, wat ik toen zingend deed, in plaats van mopperend. Tevens kookte ik voor het hele gezin. Zoals bekend is, heb ik daar een bloedhekel aan, maar vreemd genoeg deed ik dat bij Vera fluitend. Eveneens bracht ik Jelle die dagen twee keer naar het kinderdagverblijf en haalde hem daar natuurlijk ook weer op. Kilometers heb ik tevens met hem gewandeld. Hij en ik genoten daar optimaal van. Zo kon Vera even wat extra rust te nemen, die zij zo goed kon gebruiken, of om de volle aandacht aan Bobbie te kunnen schenken.

Aangezien dromen niet eeuwig duren, kwam er voor mij ook een einde aan dat verschijnsel tijdens de slaap, maar veranderde gelukkig niet in een nachtmerrie. Na een drukke, maar heerlijke week, ging ik met Lisa en haar partner André weer terug naar Mees, die van ons huis een droomhuis had gemaakt: alles was gepoetst, gezeemd, gedweild en gezogen.
Toen ik na die lange droom ‘s-avonds in bed mijn ogen sloot, realiseerde ik mij opeens dat alle gebeurtenissen echt hadden plaatsgevonden.
En moe, maar voldaan en gelukkig over de afgelopen week, viel ik in (een droomloze) slaap.

73) Gevaren

Bijna op het water geboren, besloten echtgenoot Mees en ik na veertien jaar bootloos te zijn geweest, in 1985 weer een vaartuig aan te schaffen. Ons hart trok naar het waterland en ons bloed kroop daar, waar het, in ons geval, wel gaan kon. Het werd een polyester motorsailer van bijna negen meter lang. Het voordeel van dit soort boten is dat je door de wind of, bij gebrek daaraan, met een motor te allen tijde vooruit komt. In de brochure werd vermeld dat het schip met gemak vier volwassenen kon herbergen, dus zo dachten wij: drie kinderen van negen, zes en twee jaar, twee volwassenen en een nogal groot uitgevallen Schotse Collie moet ook passen. Het bleek al na onze eerste vakantiedag met de boot, dat iedereen een plekje kon vinden.

Nadat ik als een illusionist in een smurfenkeukentje (de kitchenette) een maaltijd had bereid voor vijf personen op een tweepits butaangasstelletje, riep ik mijn gezinsleden aan tafel. Die werd omgeven door een L-vormige bank waarop Mees als eerste plaats nam in het midden aan de lange zijde. Hij werd aan beide zijden geflankeerd door onze twee dochters, Vera en Lisa, zodat zij zonder elkaars ogen uit te steken tijdens hun gekibbel, toch hun eten naar binnen konden lepelen. De jongste telg van ons gezin, Bas van twee jaar, werd aan de korte zijde geplant, zodat ik hem, op een wankel krukje vóór de tafel zittend, kon vullen met mijn gekookte prut. Doordat de tafel en zitbank aan één zijde van de boot was geplaatst, helde die zichtbaar over, nadat iedereen had plaatsgenomen. Bij ons was dat naar bakboord. Het was dus zaak om de soepborden niet te vol te scheppen. Een leuke bijkomstigheid van dit schuin liggen is, dat je bij de meeste boten kan zien waar en wanneer er een maaltijd wordt genuttigd. Wel moesten wij er voor waken om bij het van tafel gaan niet al te zwaar op het blad te leunen. Het was slechts gemonteerd op één poot, die zich in het midden bevond. Het zou alle borden op de grond doen glijden indien je het tafelblad als steun zou gebruiken.

Natuurlijk moest er na het eten afgewassen worden. Ook dat was mijn taak. Nou is afwassen in een gootsteen met een afmeting van 20cm. x 20cm. x 20cm. geen sinecure. Maar met hulp van onze twee eeuwig ruziënde dochters, werd de vaat toch schoon en niet altijd- droog. Intussen deed Mees zijn best om de vermoeide Bas nog een aangenaam laatste half uurtje van die dag te geven, voordat de peuter naar bed moest. Wij hadden besloten om de drie kinderen in de V-vormige tweepersoons kooi te laten slapen. Dat gaf zowel ons, als de kinderen, enige vorm van privacy. Deze kooi (wat een toepasselijke naam) bevond zich in de voorpunt van de boot. Voor een volwassene zou het een hachelijke onderneming zijn om zich daar ter ruste te leggen, tenzij je met het hoofd in het smalste gedeelte van de V zou gaan liggen. Er simpelweg in kruipen zou dan volstaan. Wilde je het daar als voeteneind gebruiken, dan zou je halsbrekende toeren uit moeten halen om in de kooi, van slechts vijftig centimeter hoog, te kunnen komen.

Nadat Bas goed beschermd door enkele luiers in de V-kooi aan stuurboord was gestouwd, mochten zijn zussen nog even opblijven, totdat het jochie in slaap gesukkeld was. Door het gekwebbel van de meisjes zou hij anders nooit in slaap vallen. Het gekke was namelijk, dat de dames bijna de hele dag aanvaringen met elkaar hadden, maar de grootse giechelpret hadden wanneer zij in bed lagen en moesten slapen. Nou ja, dan waren er toch nog gezellige momenten met ze te beleven. Lisa van zeven jaar kreeg een bakboord plek toegewezen, zodat Vera van negen jaar, en de langste van de drie, midscheeps kon slapen. De kooi kon afgesloten worden met een deurtje, dat uit twee delen bestond. Net zoals je wel eens ziet bij paarden die op stal staan. In eerste instantie sloten wij dat deurtje volledig, om iedereen zijn rust te gunnen. Toch was ik er niet zeker van, dat ik de volgende ochtend nog ademende kinderen zou aantreffen, zodat ik het bovenste gedeelte maar open liet staan.

Onze Schotse Collie, Fabyen, schikte zich zonder morren in de nieuw ontstane leefsituatie. Tijdens onze maaltijden in de kajuit bleef hij meestal in de open kuip, tenzij het regende. Dan wrong hij zich in allerlei bochten onder de tafel, die slechts één poot had, maar waar wel tien benen onder staken. Daar genoot hij in alle rust van het samenzijn van zijn roedel. Slechts als er eten op de grond viel, wat regelmatig gebeurde, kroop hij daar voorzichtig naar toe en reinigde zodoende voor mij de vloer. Ook snachts verbleef hij in de kajuit waar Mees en ik de nacht door brachten. (daar zal ik in een ander verhaaltje meer over schrijven).
Tijdens het varen, of dat nou onder zeil was of met de motor, had je geen kind aan Fabyen. Als een volleerde uitkijk stond hij, vaak in gezelschap van de kleine Bas, op het uiterste puntje van de voorplecht en begon vrolijk te blaffen als er een andere boot uit tegengestelde richting aan kwam varen. Het was alsof hij dan zeggen wilde: boot aan bakboord. Voer de tegenligger aan stuurboord voorbij, dan blafte hij niet vrolijk, eerder waarchuwend. Hij wist tenminste het verschil tussen bak- en stuurboord en dat weten maar weinig honden. Zodoende hebben wij toen drie weken lang, zonder gevaren, gevaren.

74) Nachtstilte

Op onze, bijna negen meter lange, polyester motorsailer kon je met vier personen riant verblijven. Ook met twee volwassenen, drie kinderen en een Schotse Collie viel er best in te leven tijdens een vakantie van drie weken. De drie kinderen, toen twee, zes en negen jaar, sliepen gezusterlijk en gebroederlijk samengepropt in een dubbele V-kooi in de voorpunt. Zelf moesten echtgenoot Mees en ik genoegen nemen met een slaapplaats in de kajuit, in gezelschap van Fabyen, onze Schotse Collie.
Gewoon, wanneer het bedtijd was je bed instappen, was er echter niet bij. Wij sliepen immers op de tafel. “Deze kan op een zeer eenvoudige manier getransformeerd tot een tweepersoons bed“, zo stond in de brochure vermeld.
Nadat wij eerst genoten hadden van de avondrust en een paar lekkere borrels, begon voor ons de transformatieprocedure van de tafel. Eerst moest echter de kajuit nog afgesloten worden om, als we het licht hadden aangedaan, de muggen en andere fladderaars buiten te houden. Mees nam die taak meestal voor zijn rekening. Na het sluiten van het deurtje, moest het dakluik nog dichtgeschoven worden. Overdag gaf dat nooit problemen. Met slechts een zacht sissend geluid liet het schuifdak zich dicht schuiven. In de avonduren was dat anders. Het eerste stuk ging prima, maar bij de laatste tien centimeter stuitte Mees, iedere avond weer, op obstinaat gedrag van het luik. Hout zet immers uit als het vochtig is en op het water is het, vooral ‘s avonds en ‘s nachts, bijzonder vochtig. Nou laat Mees zich niet zo snel uit het veld slaan, zeker niet door onwillig gedrag van een stuk hout. Om de laatste tien centimeter van het luik toch dicht te krijgen, zette hij zich met één been schrap op een bank in de kuip, gaf een flinke ruk .. “Wham!”.. daar ging het dicht. Op de andere boten gingen veel luiken nu juist open en verschenen er verschrikte gezichten, daar men dacht dat er in de jachthaven een geweerschot gelost was.

Onze kajuit was nu dicht en een lampje bescheen romantisch onze tafel, die een bed moest worden. Het tafelblad had slechts één poot waaraan een knop zat, net onder het blad. Indien je die knop losdraaide was het de bedoeling dat het tafelblad geruisloos zakte en met de uiteinden een rustplek zou vinden op de L-vormige bank. Ook hier gaf het laatste stukje een probleem: het bleef drie centimeter boven de uitsparing in de bank hangen. Nu kwam het moment suprême: Mees tilde mij op en met een plof liet hij mij met mijn achterwerk op het tafelblad neerkomen. Hoewel het laten zakken van de tafel geluidloos ging, door mijn gewicht veroorzaakte het zakken van de laatste drie centimeter een ijselijk ..“Kriejtssss!”.. De kinderen werden daar de eerste keer wakker van, maar op het laatst sliepen ze rustig door. Nu werden de kussens op hun plaats gelegd, alsook de tweepersoons slaapzak. Mees kroop altijd als eerste in de zak, aangezien ik aan de buitenkant van het bed sliep. Zo kon ik snel naar de kinderen als er één wakker was, wat gelukkig zelden gebeurde. Een andere reden hiervoor was, dat ik er altijd minimaal één keer uit moest om mijn blaas te ledigen. Door mijn strategische plek was het dus niet nodig om over Mees heen te kruipen. Hij vond het een prima indeling. Omdat hij zwaar is, helde de boot altijd iets over, zodat ik steevast naar hem toerolde. Lekker knus, vond Mees. Toch zat er ook een nadeel aan vast.
Fabyen, onze Schotse Collie, sliep ook bij ons in de kajuit. Hij wurmde zich onder ons bed en vond daar een rustig plekje om te slapen.
Hij had alleen de vrolijke gewoonte om, als ik maar even bewoog, te denken dat er weer een nieuwe dag was aangebroken. Uit angst dat ik te lang in bed zou blijven liggen, gebeurde het regelmatig dat hij mij midden in de nacht met zijn enorme tong een wasbeurt gaf. Als ik hem dan zachtjes tot orde riep ging hij teleurgesteld liggen mokken, omdat ik niet mijn bed uit kwam. Moest ik er toch uit om het toilet te bezoeken, dan kwam hij enthousiast onder het bed vandaan en sprong blij tegen mij op met in zijn ogen een blik van: Hé, gaan we nu lol maken? Wederom moest ik hem dan weer tot rust manen, terwijl ik met gekruiste benen naar het toilet strompelde. Om de collega-bootbezitters ten dienst te zijn, spoelden wij in de nacht nooit het toilet door. De handpomp maakte een vreselijk geluid, die iedereen wakker zou maken. Op het water draagt geluid nu eenmaal heel ver.

Mochten er lezers zijn die in de gelegenheid zijn om eens met iemand mee te varen en ‘s nachts moeten plassen, wees dan aardig voor uw medewatersporters: Gebruik de pomp niet! Laat het indringende lawaai van ..”Pjiep…blurpblurpblurp!”.. achterwege. De stilte die u daarmee in de nacht creëert, zal u in dank afgenomen worden.

75) Onder zeil

Toen wij in 1985 weer vanuit Frankrijk in Nederland kwamen wonen, was één van de eerste dingen die wij aanschaften een polyester motorsailer van bijna negen meter. Wij hoopten dat ons enthousiasme voor de zeilsport over zou slaan op onze drie kinderen. In het begin waren onze dochters Vera en Lisa, toen respectievelijk negen en zes jaar, erg ingenomen met deze vorm van voortstuwing. Ook zij genoten van de rust die het varen zonder motor met zich mee bracht. Nu hoefden ze immers niet tegen elkaar te schreeuwen als ze weer eens aan het kibbelen waren. Zoon Bas, toen twee jaar, vond het maar niks. Zijn loopfunctie had nog niet het peil bereikt dat hij stevig op zijn kromme beentjes stond. Zodra de boot tijdens het zeilen maar enigszins overhelde, viel hij op zijn luierbibs en rolde zodoende naar de lage kant. Daar werd hij onder luid gejoel met vereende krachten vandaan geplukt en weer rechtop gezet. Dat was echter nooit voor lange duur, want bij de volgende keer dat we schuin gingen, rolde het manneke opnieuw ondersteboven. Totdat hij een plekje had ontdekt waar hij zich klem kon zetten. Door deze tactiek werd er door ons veel minder gelachen als we aan het zeilen waren. Nee, hij gaf er de voorkeur aan om de boot te laten voortbewegen met het behulp van mechanische krachten. Dit in tegenstelling tot zijn zussen. Totdat er op een dag een collegazeiler omsloeg, vlak voor de neus van de dames. Vanaf dat moment was voor hen het plezier van het zeilen mijlenver te zoeken. Ze waren bang geworden dat ook wij een keer zouden omslaan. Geruststellende woorden van echtgenoot Mees en mij mochten niet baten.

Zo gebeurde het dat wij meer met behulp van de motor voeren, dan zeilend. Slechts met windkracht vier of minder, gaven onze dochters “toestemming” om de zeilen te hijsen. Het risico van schuin gaan, of nog erger omslaan, was dan tot een minimum beperkt. Dat wij zodoende minder onder zeil voeren, werd met veel vreugde ontvangen door de kleine Bas. Fabyen, onze Schotse Collie, deelde die blijdschap met Bas. Het was voor hem nu niet meer nodig constant zijn nagels te gebruiken om zich schrap te zetten als wij slagzij maakten. Hij had er zodoende voor gezorgd dat onze mooi gelakte houten kuipvlonders drastisch waren veranderd. Ze leken nu meer op ruw geschaafde plankdelen. Geen fraai gezicht en het zorgde er ook nog voor dat onze gewoonte om altijd op blote voeten te lopen, afgeschaft moest worden. De splinters die ik uit voetzolen moest verwijderen, waren niet meer te tellen. Een voordeel van de beschadigde vlonders was het antislip effect. Kort samengevat waren zowel onze kinderen, evenals Fabyen, blij dat er vaker met behulp van de motor gevaren werd. Totdat er op een dag een kentering plaatsvond in die mening.

Wij lagen in een sluis om geschut te worden. Het is de bedoeling dat alle aanwezige watersporters dan hun motor uitzetten, zodat niemand tussen de sluismuren vergeven wordt van de uitlaatgassen. Gaan de sluisdeuren weer open dan worden, alsof een dirigent de opmaat geeft, alle motoren weer gestart. Tijdens dat schutten, was Basje in slaap gesukkeld, maar werd met grote schrik wakker van de ontstane herrie door die startende motoren. Hij zette het zodanig op een brullen, dat iedereen onze kant op keek. Daar kwam nog bij dat Fabyen meteen op volle sterkte begon te blaffen omdat Bas lag te krijsen (Dat was de manier van onze hond om ons te laten weten dat er iets niet goed was met het manneke). De herrie, die nog versterkt werd door de echo tegen de sluismuren, was onbeschrijfelijk: gierende motoren, een blèrende peuter en een hond die zijn aanwezigheid aan boord duidelijk kenbaar maakte. Ik deed of het blaffen en het janken bij ons aan boord de normaalste zaak van de wereld was, maar was blij toen we de sluis uitvoeren. Vanaf die dag wilde Bas, letterlijk en figuurlijk, niets meer van een motor horen. We hadden dus een patstelling tussen Vera en Lisa aan de ene kant en Bas aan de andere kant.

Er was maar één manier om die te doorbreken. We zeiden tegen de dames dat de brandstof voor de motor ontzettend duur was zodat, als we onder zeil gingen varen, er meer geld overbleef voor een extra ijsje. Dit argument ging er in als koek. Iedereen tevreden: er kon veel ijs gegeten worden, Bas zette aanzienlijk minder vaak een keel op en voor Fabyen was het niet meer nodig om ons dikwijls te attenderen dat er iets mis was met zijn kleine baas.

Toch was er nog iets wat ons verbaasde. Iedere keer wanneer wij een plekje hadden gevonden om aan te meren, smeekten de beide dames of Mees hun rubberbootje om wilde toveren tot zeilboot. En dat terwijl ze totaal niet gecharmeerd waren van het zeilen met onze motorsailer. Als het maar enigszins verantwoord was, voldeed Mees aan deze smeekbede. Wij hadden nog steeds hoop dat Vera en Lisa enthousiaste zeilliefhebbers zouden worden.

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

21.04 | 08:57

Geweldige informatie voor een oma die low budget voor haar kleinzoon een kleine modelbaan wil bouwen. hartelijke dank

...
26.12 | 06:15

ik schreef al in jullie gastenboek, dat dit de mooiste baan is, die ik ooit heb gezien. Hou me op de hoogte van nieuwigheden !

...
22.09 | 18:36

Hallo Stella, Jannie en Kick, Lang geleden he? Maar plotseling dacht ik aan jullie toen ik op de verhalensite kwam. Ik genoot weer van je. Groet Cojo,

...
01.07 | 15:57

Hallo Vera,

Bedankt voor je spitse reactie. Je hebt goed ingespeeld op de tekst uit mijn stukkie.
Groetjes van Mies.

...
Je vindt deze pagina leuk