Miesjes 26 t/m 50

26) Geboorte gebeurtenis

"Oooch, dat ik dat nog mag meemaken!” zei ik geëmotioneerd op een miezerige, maartse, maandagochtend anno 2008. Toch had ik al heel wat enerverende gebeurtenissen meegemaakt in mijn leven. Natuurlijk was het niet geheel onverwachts. De arts had immers bevestigd dat er weer gezinsuitbreiding op komst was. Toch had ik, samen met echtgenoot Mees, maanden in spanning gezeten en vol verlangen uitgezien naar deze gebeurtenis. En nu was het écht gebeurd. Tranen van ontroering spoten uit mijn ogen en geen zakdoek bij de hand hebbende, gaf Mees mij maar een dotje stro om wateroverlast te voorkomen.

Even daarvoor was Mees naar de stallen gesjokt om de geiten, schapen en ezels hun ontbijt te brengen. Toen hij de staldeur bij de ezels opendeed, zag hij tot zijn stomme verbazing niet twee… maar drie dieren staan. Zijn eerste reactie was dat hij nog niet goed wakker was. Hij begon opnieuw te tellen en kwam toen uit op twee en een kwart en dat kwart ezeltje was een pasgeboren veulentje. Hij brulde een Indianenkreet richting ons huis en ik kwam aanrennen met een gevoel van naderend onheil. Ten onrechte, gelukkig.
Nadat wij een beetje bijgekomen waren van de emotie, sloegen wij de armen om elkaar heen en staarden vol bewondering, als kersverse ouders die zelf net een baby hadden gebaard, naar dit wondertje.

De echte kersverse ouders, Simba en Nala, onze dwergezels, staarden terug met een blik in hun ogen van: Krijgen we nou nog ons ontbijt, of hoe zit dat? We hebben net een vermoeiende gebeurtenis achter de rug, dus we lusten nu wel wat. De beschuit  met muisjes liet Mees maar achterwege en gaf de jonge ouders hun ontbijt in de etensbak die buiten aan de stal hangt. Zij snelden naar buiten en deden zich tegoed aan hun ontbijt, hun baby alleen achterlatend in de stal. Zodoende hadden wij mooi de gelegenheid om op ons gemak het kleintje te inspecteren. Wij konden zelf geen mankementen ontdekken maar besloten wel om de veearts te bellen voor de nodige na-controles.
Daar het veulentje nog niet totaal droog gelikt was door mama Nala, die meer aandacht had voor haar ontbijt, nam Mees die taak maar van haar over. Niet likkend, maar met een oude handdoek. De veearts kwam nog dezelfde middag en kon constateren dat alles oké was, gaf het veulen nog een tetanusinjectie en stelde vast dat het een merrie was wat wij ook al hadden geconstateerd. Zij kreeg van ons de naam: Sarabi.

Nala ontpopte zich al meteen tot een overbezorgde moeder: als papa Simba te dicht in de buurt van het veulen kwam gaf ze hem gelijk een optater met haar achterbenen. Ook tolereerde zij niet dat haar echtgenoot in de stal kwam als zij daar met Sarabi was. Zij had werkelijk beschermingsfactor 100 ten opzichte van haar dochter.

Om escalaties tussen de jonge ouders te voorkomen, volgden wij het advies van de veearts op om ze van elkaar te scheiden. Daarbij komt dat merries al heel snel na de bevalling weer hengstig kunnen worden zodat een volgende zwangerschap zich te spoedig kan aankondigen. Zo sloegen wij twee vliegen in één klap. Dat had tot gevolg dat Nala en Sarabi overdag bij de geiten en schapen vertoefden en Simba alleen nog door het gaas contact kon maken met zijn echtgenote. In de nachtelijke uren sliep hij ook alleen wat hij erg ongezellig vond. Hierdoor zou een vroegtijdige tweede zwangerschap bij Nala voorkomen worden, alsook incest bij Sarabi. Er werd meteen met de veearts een afspraak gemaakt om hem een ezel-onterende ingreep te laten ondergaan. Zes weken na zijn castratie zou hij zich weer mogen verenigen met zijn vrouw en dochter.
Gelukkig voor Simba verstond hij geen mensentaal.

27) Een vader vertelt

 

"Help, ik heb een vrouw zwanger gemaakt. En met een beetje mazzel, is het ook nog je eigen vrouw”.

Ongeveer op deze manier begint een boek van de Hollandse schrijver Kluun.

“Ook ik had een vrouw zwanger gemaakt. Gelukkig wel mijn eigen. Zij liep al weken over een nakomeling te zeuren. Toen de tijd rijp was greep ik dus met beide benen mijn kans. Zij gelukkig, ik overgelukkig. En nu maar wachten of zij inderdaad zwanger was. Het bleek dat ik goed mijn best had gedaan maar kreeg daar later spijt van. Al vanaf het begin van de zwangerschap moest zij niets meer van mij weten. Oké, een beetje hier en daar snuffelen werd nog getolereerd, maar daar hield het ook mee op. Net als in het boek van Kluun, hoofdstuk: “Sex tijdens de zwangerschap”…….(blanco pagina’s) Terwijl wij eerst altijd doldrieste kuren uithaalden, elkaar regelmatig achterna zaten, over boomstammen sprongen of samen een duet zongen tegen etenstijd, niets van dat alles wilde zij nog met mij doen.

Hoe meer de zwangerschap vorderde, hoe meer zij sukkelend en waggelend achter mij aan slenterde, waar ik mij lichtelijk voor schaamde. Haar dikke buik was voor een man niet om aan te zien. Het leek wel of zij een doormidden gesneden skippybal aan beide zijden van haar lijf had. Maar het ergste vond ik nog dat de linkerkant veel dikker was. Ik was constant bezorgd dat zij zou kapseizen. Maar voor de rest was zij een zwangere vrouw uit duizenden: geen last van ochtendmisselijkheid en nooit heeft zij mij gevraagd om bij nacht en ontij zure bommen te kopen.
Gewapend met een lijstje van “De Kraamzorg”, hadden wij samen inkopen gedaan, waarbij wij er nadrukkelijk op hadden gelet geen overbodige luxeartikelen aan te schaffen. Wel hadden wij er voor gezorgd om een overschot aan beddengoed in te slaan, zoals ook op het lijstje werd geadviseerd. Ruim voor de uitgerekende datum hadden wij de kraamkamer al in orde gebracht. Kraambed op klossen, telefoonnummers bij alle telefoons en meer van die overdreven voorzorgsmaatregelen. Laat maar komen, wij zijn er klaar voor! En ons kindje kwam!

Begin maart 2008 maakte mijn vrouw mij midden in de nacht wakker met de woorden: “Lievie, de weeën zijn begonnen, bel jij de verloskundige en zeg dat ze om de drie minuten komen”. Ik sprong overeind, knalde op mijn bek en kon uiteraard het telefoonnummer van de verloskundige niet vinden. Gelukkig wist mijn vrouw het nummer uit haar hoofd. Na zes keer verkeerd te hebben “gedraaid”, kreeg ik het antwoordapparaat: Mevrouw De Verloskundige was druk met een andere bevalling, we moesten maar de huisartsenpost bellen!
“Ja, daaaag”, zei mijn vrouw, “daar ga ik niet op wachten, wij redden het samen wel. Jij bent tenslotte vaak genoeg mee geweest naar de zwangerschapscursus en weet dus óók wat wij moeten doen én wat ons te wachten staat”. Ik begon meteen natte washandjes aan te slepen, ondertussen de tijd opnemend die lag tussen de weeën. Tijdens iedere wee van mijn vrouw pufte, zuchtte, kreunde en kuchte ik net zo hard mee, zoals ons mannen op de zwangerschapscursus was geleerd. Daarbij niet vergetend het natte washandje over haar voorhoofd te vegen en een opbeurende en motiverende peptalk te houden. Maar hoe korter de interval tussen de weeën werd, hoe wanhopiger en machtelozer ik me ging voelen. Het is een niet-amusante ervaring als je je vrouw pijn ziet lijden en niets voor haar kan doen.
Toen kwamen de persweeën! Zij persen, ik méé persen, daarbij roepend dat zij het geweldig deed, dat ik trots op haar was, dat ze door moest zetten en meer van die kreten uit het boekje: “Hoe Stimuleer Ik Mijn Vrouw Tijdens Het Persen”.
En opeens was daar ons kindje!

Kindje janken, moeder janken en ja, ook ik moest janken. Vlug pakte ik wat spulletjes om ons kindje warm te houden, knipte op bevel van mijn vrouw de navelstreng door en legde ons kindje in haar armen. Die hemelse, overgelukkige blik in haar mooie, grote ogen die zij mij toewierp, zal ik mijn leven lang niet vergeten. Overlopend van liefde gaven wij elkaar een enorme knuffel, er voor wakend niet ons kindje te pletten. Door alle emoties die zich zo vlak na een geboorte openbaren, was ik helemaal vergeten om te kijken of het een jongetje of een meisje was.
“Lievie, we hebben een prachtige dochter. Zij lijkt precies op jou”,lispelde mijn vrouw vol genegenheid in mijn oor.

Nog een half uurtje brachten wij genietend met ons drieën door, totdat ons eten werd gebracht. Zelfs mijn vrouw rende naar buiten, ons dochtertje alleen en bibberend achterlatend in de kraamkamer. Mees, die ons eten kwam brengen, wist natuurlijk niet wat hij zag en brulde naar zijn vrouw Thea. Toen zij ons dochtertje zag, begon óók zij te janken. Dat is toch zo’n jankmens! Ik legde hun uit dat wij het helemaal alleen hadden geklaard. Geen gynaecoloog, verloskundige of kraamzuster. Mees en Thea vonden wel dat mijn vrouw ons dochtertje netjes had moeten afdrogen, maar aangezien mijn vrouw niet precies wist hoe dat moest, liet zij die taak maar aan Mees over. Tevens gingen zij de kraamkamer verschonen, alsook het beddengoed van mijn vrouw. Ondertussen werd ik er op uit gestuurd om beschuit en muisjes te kopen. Tevens ging ik aangifte doen van de geboorte van ons dochtertje bij de Burgerlijke Stand en de geboortekaartjes bestellen bij de drukker.

Bij thuiskomst stond mij een grote en afgrijselijke verrassing te wachten:
Mijn vrouw tolereerde niet meer dat ik in haar buurt kwam, gaf me een paar hengsten voor mijn kop en riep me toe:
“Laat me alleen met ons dochtertje, ik heb al die pijn moeten lijden door jouw schuld”. Ja, pas bevallen vrouwen kunnen zeer irrationeel reageren. Had ik daarvoor al die moeite gedaan om haar te steunen bij de bevalling? Heb ik me niet rot gerend met natte washandjes? En het mooiste was dat ik zelfs de nacht in m’n uppie moest doorbrengen. Mees en Mies hadden wel een beschut plekje voor mij ingericht maar toch, alleen is maar alleen. Ook overdag verveelde ik me rot: dat stomme echtpaar had me apart gezet! Zodoende kon ik mijn vrouw slechts besnuffelen als ik mijn neus door het afscheidingshek stak en zij de welwillendheid had om wat dichterbij te komen. Ik ging daarom maar af en toe een partij herrie maken, een soort solozingen dus, daarbij werd ik soms bijgestaan door één van die hondenbeesten.

Maar de derde dag gebeurde er iets wat ik zeer aangenaam vond.
Ik stond wat in m’n uppie te suffen, toen ik de deur van de kraamkamer open hoorde gaan. Ik rende er naar toe, glipte via een smalle doorgang naar binnen maar werd meteen weer door mijn vrouw naar buiten geknikkerd. Gelukkig ging zij ook naar buiten met ons dochtertje, zodat ik hun lekker kon achtervolgen. Maar ieder keer, als ik ook maar even bij hun in de buurt kwam: wham, kreeg ik weer een kledder van mijn vrouw. Ik mocht haar zelfs niet besnuffelen, en dat terwijl ze zo lekker rook en ik weer wat te flemen had. Al snel werd ik door Mees in mijn lurven gegrepen en weer apart gezet. Nou, als ik alles van te voren geweten had… En denk nou niet dat wij stomme wezens zijn:
Een ezel stoot zich niet twee maal aan de zelfde steen.”

Verteld door Simba, opgetekend door Mies.

28) Knopjesgek

Bijna mijn leven lang ben ik bezeten geweest om op knopjes en toetsen te drukken. Dat begon al toen ik een jaar of acht was. Die ziekelijke afwijking had ik van mijn moeder geërfd want die kon er ook nooit van afblijven. Op een dag zag en hoorde ik mijn vier jaar oudere oom accordeon spelen. Toen ik zag hoeveel knopjes en toetsen een accordeon heeft en hoe mooi accordeonmuziek klonk, wilde ik ook op accordeonles. Met dezelfde leraar als mijn oom, leerde ik al snel liedjes spelen en werd ook lid van een accordeonorkest. Met veel plezier ging ik iedere vrijdagavond naar de club toe, tot het moment dat ik mijn huidige echtgenoot Mees leerde kennen. Om zoveel mogelijk vrije tijd met elkaar door te brengen schoof ik het accordeon spelen aan de kant. Net zoals het wekelijkse turnen en, in de wintermaanden, het schaatsen. Ach, als je verliefd bent doe je vreemde dingen maar nooit heb ik één dag spijt gehad van die beslissingen.

Pas toen ik dertig jaar was, haalde ik mijn accordeon weer uit de mottenballen. Op de camping in Frankrijk begeleidde ik een lampionnenoptoch voor kinderen. En wat is een kampvuuravond zonder muziek? Met mijn accordeon bracht ik wat leven in de brouwerij. Daardoor laaide mijn enthousiasme voor het spelen weer op. Helaas kon ik deze hobby maar een paar jaar uitoefenen. Slapende vingers en pijnlijke polsen waren er de oorzaak van dat ik moest stoppen met muziek maken.

Nadat ik aan beide polsen was geopereerd kon ik gelukkig opnieuw het accordeon spelen hervatten. Voor mijn verjaardag kreeg ik zelfs van Mees een nieuwe accordeon. Toen was het hek van de dam. Op de accordeonclub, waar ik lid van geworden was, dreef ik, altijd in voor een geintje, de dirigent en medespelers soms tot opperste wanhoop. Dat deed ik door de vrijheid te nemen om mijn eigen variaties toe te passen op het ten gehore gebrachte liedje. Menigmaal tikte de dirigent geïrriteerd af en riep mij tot orde. Schuldbewust beloofde ik dan om het nooit meer te doen - een belofte die ik niet altijd hield.
De wanhoop door mijn gedrag, bereikte bij de dirigent een hoogtepunt toen er door de accordeonclub een optreden werd gegeven voor bejaarden. Met nog twee medespeelsters en mijn ouders reed ik op een zondagmorgen in mijn auto naar het bejaardenhuis. Daar aangekomen hielp ik eerst mijn vader, die moeilijk ter been was, uit de auto. Ondertussen waren mijn collega-speelsters uitgestapt, alsook mijn moeder. En terwijl de motor nog liep, drukte zij, nog steeds gek op knopjes, op de centrale deurvergrendeling en smeet de deur dicht! Alle deuren waren nu hermetisch afgesloten, de auto stond op het midden van de weg en er stonden nog drie accordeons in de auto. Uiteraard sloeg nu de paniek toe. Aangezien ik er niet in slaagde telefonisch contact met mijn wederhelft te krijgen, belde ik in opperste staat van onmacht mijn oudste dochter op. Die was gelukkig thuis en nadat ik uitleg had gegeven over het gebeuren, wist zij een oplossing voor dit drama. Zij reed met haar eigen auto naar ons huis, haalde daar de reservesleutels op van mijn de auto en reed naar het bejaardenhuis. Probleem opgelost.
Vlak voor het inzetten van het eerste akkoord, schoven wij, de drie laatkomers, hijgend op onze stoelen. De blik die de dirigent ons toewierp sprak boekdelen: als blikken konden doden…

Maar het leukste vond ik om accordeon te spelen tijdens diverse sleepbootevenementen. Met onze eigen sleepboot waren wij vaak aanwezig op die evenementen. Omgeven door een tiental andere sleepboten speelde ik dat het een lieve lust was. Soms had iemand zelfs de moed om mee te gaan zingen. Ook vormde ik wel eens een duo met een andere accordeonist. De klanken van bekende zeemansliedjes en smartlappen dreven dan mee op de rook uit de schoorstenen van de sleepboten, waarvan de motor draaiende werd gehouden ten behoeve voor de vele geïnteresseerde bezoekers.

Toch moest ik na enkele jaren van enthousiast musiceren, mijn accordeon voorgoed aan de kapstok hangen. Door kwetsuren aan mijn handen begonnen mijn vingers een beetje scheef te staan. Dat had tot gevolg dat ik vaak een verkeerde toets aansloeg.
Mijn bijna ziekelijke drang om altijd op toetsen en knopjes te drukken kan ik gelukkig wel blijven uitvoeren: ik ram nu met verve op het toetsenbord van de computer om korte verhaaltjes te schrijven.

29) Een rustige, oude dag

Ieder levend wezen heeft recht op een rustige, oude dag. Dat is nodig omdat na een leven van hard werken, het lichaam én de geest wel wat rust kunnen gebruiken. Bij sommigen pakt dat wel eens anders uit. Op hún oude dag kan dat rustige leventje volkomen op z’n kop worden gezet. Hun eens zo rustig leventje als stoffig geworden sofakussentje, maakt een draai van 180°.

Deze ommekeer overkwam meermaals broer en zus Siberische Husky, Kaya en Iwan genaamd, verblijvend in onze roedel. Wat er in hun koppies omging toen er opeens in oktober 2005, aan de andere kant van hun hek, twee Kameroenschapen en vier dwerggeiten verschenen, zal voor velen een raadsel blijven. Wel bleek overduidelijk dat hun jachtinstinct nog levendig aanwezig was: als hongerige wolven stonden zij als hyena’s te janken en liepen te ijsberen als gekooide leeuwen. Het hek werd in allerijl verhoogd want de angst bestond dat zij als kangoeroes over de reeds aanwezige barrière zouden springen. Dagenlang was bovenstaand gedrag van de Husky’s aanwezig. Maar alles went en de Husky’s merkten dat zij keurig achter hun hek bleven en zij zodoende hun voedsel niet hoefden te delen met die vreemde wezens.

Weken gingen zo in alle vrede en rust voorbij, maar toen gebeurde er iets wat in de ogen van Kaya en Iwan echt niet door de beugel kon. Ze dachten dat wij mata glap waren geworden. Er was een nieuweling in huis komen wonen! Weliswaar in de garage, maar toch. Wat voor beest het was wisten de Husky’s nog niet, want het dier was in de avonduren door echtgenoot Mees de garage binnengeloodst. In de oren van de honden had dat dier een ontzettend raar stemgeluid wat nog het meeste leek op het wegstervend geluid van een cirkelzaag. Geheel overstuur bleven zij maar bij de trap, die naar de garage leidt, ronddolen en probeerden zelfs die trap af te dalen. Daar werd door Mees een stokje voorgestoken door middel van een noodhek. Toch bleven de Husky’s de hele nacht onrustig reageren wanneer zij weer gestommel of het balkende geluid van ons dwerg-ezelhengstje hoorden.
Toen deze nieuweling de volgende ochtend zijn nieuwe buitenomgeving mocht verkennen, was het hek van de dam. Het is maar goed dat de meeste honden hoogtevrees hebben, anders waren de honden van pure opwinding over de balustrade van het balkon gesprongen. Net als je als Husky denkt dat het nu niet meer gekker kan, komt er vier weken later een dwerg-ezelinnetje bij. Ook bij de komst van deze dame sloegen alle stoppen door bij Kaya en Iwan. Het was een geluk dat de afscheidingshekken van deugdelijk materiaal waren gemaakt en zeer solide in de grond waren geplaatst. Er hadden anders geheid ongelukken plaatsgevonden in de vorm van aangevallen en verwonde dieren. Eens een Husky, altijd een wolf.

Een paar maanden later waren er duiven komen wonen op ons erfje. Deze laag overvliegende biefstukjes deden bij de Husky’s regelmatig het water in de mond lopen. Er werd dan ook vaak naar de duiven gehapt, waarbij zij sprongen vertoonden die eigenlijk niet meer met hun leeftijd te rijmen waren. Gelukkig voor de duiven was het alleen maar luchthappen, tot er een zeer brutale duif op hun hek kwam zitten. Dat had hij nou net niet moeten doen: met één hap trok Iwan het beestje aan zijn staart van het hek waarna door Kaya de genadehap werd toegebracht.
M’n doif ist toot”, kon ik alleen nog maar mompelen en reageerde daarna volkomen irrationeel tegen de honden, die alleen maar hun diep gewortelde instincten volgden. De duiven stierven één voor één een “natuurlijke dood”, op twee na, die rond de kerstdagen niet meer thuis kwamen.

Ondertussen waren Kaya en Iwan weer aardig stoffig aan het worden, veroorzaakten krakende geluiden bij het opstaan en waren dik tevreden dat ze rustig verder konden leven als bejaarde honden. Tot op een dag de hel los brak.
“Zijn Mees en Mies nou helemaal van de pot gerukt?”zeiden Kaya en Iwan tegen elkaar toen ze zagen waar wij op een dag mee aan kwamen zetten. “Het is niet te geloven! Dat hebben wij weer. Dit gaat me te ver. Ik denk er aan om mijn barang te pakken en deze roedel te verlaten”, zei Kaya.
“Eerst even besnuffelen. Misschien valt het mee en kan ik er de baas over worden”, aldus Iwan, die bloednieuwsgierig naar de nieuweling sloop. Iwan juichte inwendig: dat kleine mormel liep voor hem weg! Maar niet voor lang. Het kleintje was ook niet voor de poes en daagde Iwan al vlug uit voor een speels spelletje spelen. Minachtend bekeek Kaya de kluwen poten, staarten en vacht vanaf haar bankje en hoopte dat het mormeltje haar met rust zou laten. Toen die haar even later behoedzaam besloop, gaf zij op z’n wolfs te kennen dat zij er niet van gediend was als haar make-up verwoest zou worden of haar kapsel in de war zou geraken! Met grote klos-ogen keek het kleintje naar Kaya en beloofde haar nooit meer lastig te vallen.

Al die opwinding bij de Husky’s werd veroorzaakt door de Schotse Collie, Scotty, die als acht weken oude pup in december 2007 aan onze dierentuin werd toegevoegd. Hij werd al snel door Iwan volledig geaccepteerd en Kaya voert tot op de dag van vandaag een gedoog beleid. Slechts een enkele keer stortte zij zich in de kluwen doldrieste reuen maar realiseerde dat dit gerollebol een aanslag was op haar make-up en kapsel. Iwan, iets minder op zijn uiterlijk gesteld, gedroeg zich in het begin als een puber in plaats van een bejaarde hond en werd zodoende wat minder stoffig.
Weken later geloofde óók Iwan het wel. Scotty was doodvermoeiend. Daarom probeerde hij hem te negeren als de pup weer eens over hem heen denderde. Gaf hij Scotty dan een waarschuwende snauw dan was hij van hem verlost. Maar nooit voor lang. Het kleintje schepte er een groot genoegen in om met zijn twee voorpoten een kuil te graven in de dikke vacht van Iwan. En dat deed hem hevig terug verlangen naar de tijd dat hij zijn leven kon slijten als stoffig sofakussentje.

30) Mollende mollen

Als je een mooi grasveld hebt, is het behoorlijk frustrerend wanneer er om de twee meter een molshoop verschijnt. Je kunt de bergjes weer platharken of platslaan, maar dat is maar een tijdelijke oplossing. De mollen verdwijnen daar niet door.
Zoek je informatie over het bestrijden van mollen, dan krijg je eerst een biologieles over deze beestjes: hoe hij leeft, wat hij eet en het uiterlijk. Leuk om dat allemaal te weten, nog leuker is het om te weten hoe je kunt voorkomen dat deze diertjes je veld in een vulkaanlandschap veranderen.
Ook wij voelden ons de koning te rijk met ons mooie gazon. Maar in het begin van ieder nieuw jaar, werd dat groene veld overhoop gehaald door mollen. Als het in die maanden ook nog gesneeuwd had, deden de bruine hoopjes het maagdelijke wit bezoedelen en werd de aanwezigheid van mollen een onbetwistbaar feit. Hier moest wat aan gedaan worden! Stoffige encyclopedieën werden uit de boekenkast geplukt en er werd gegoogled bij het leven.
Binnen de korts mogelijke tijd stond ons grasveld omgeven met Keizerskroon en Kruisbladwolfsmelk. De geur die deze planten uitscheiden zouden de mollen als zeer onaangenaam ervaren, zodat ze wel zouden verhuizen. Maar zij zetten knijpertjes op hun spitse neusjes en bleven rustig zitten waar zij zaten.

In plaats van Keizerskroon en Kruisbladwolfsmelk werden er toen flessen geplant. Men moet de bodem van de flessen snijden, wat alleen bij plasticflessen eenvoudig te verwezenlijken is. Plant ze dan zodanig in de molshoop dat de hals er boven uitsteekt. Wanneer het dan waait maakte de wind een gierend geluid langs de open flessenhals, wat de mollen zeer irritant in de oortjes klinkt. Onze plaaggeesten staken plukjes watten in hun oortjes en bleven…
De urine van honden zou ook een zeer doeltreffend middel zijn om ze te doen verhuizen. Zodoende werden onze Siberische Husky's verplicht gesteld om tientallen liters water per dag te drinken, zodat er overvloedig geürineerd kon worden. Dit had wel tot gevolg, dat wij vele malen per dag de honden moesten uitlaten en er op toezien dat zij precies op de molshopen plasten. De mollen, ook niet gek, staken ondergronds een parapluutje op en bleven...

Rookpatronen! Deze lijken op staafjes dynamiet en zouden de gangen van de gravers vol zetten met rook. Zij pakten hun gasmaskertjes en plaatsten die op hun snuitje, wat ze het aanzien gaf van buitenaardse wezentjes, en bleven...
Ook probeerden wij ze door middel van hoge pieptonen te verjagen. Een apparaatje, dat werkt op batterijen, wordt in de grond gestoken. Zet de schakelaar op "AAN" en een hoge pieptoon, met een interval van één seconde, is het gevolg. Ik werd daar helemaal gestoord van en zij pakten hun mp3-speler, stopten de dopjes in hun oortjes en bleven...

Wij grepen het laatste redmiddel aan: zet de grond onder stroom!
Echtgenoot Mees stak twee ijzeren staven in de grond op een onderlinge afstand van twee meter. Hij sloot daar de plus- en de minpool van een gedeeltelijk blootgelegd snoer aan, stak de stekker in het stopcontact en...Wham, daar ging de stroom de grond in en de hoofdschakelaar in de stoppenkast sloeg uit. (Hadden de staven iets verder uit elkaar gestaan, was dit kortsluitingeffect niet opgetreden.) De elektrocutie had geen effect op de diertjes, want de goed isolerende rubberen pakjes, die zij tijdens die actie snel hadden aangetrokken, bleken afdoende te zijn, zij bleven ...

(Het begrip "mollen steken" kenden wij wel. Je moet dan in de bewegende molshoop een schep steken en de ontvluchtende mol doodslaan met je schep. Het gedicht: "De Jonge Dode Mol" van J. Bernlef schoot door ons hoofd en wij lieten daarom deze methode achterwege).

Teneinde raad gaven wij de strijd op, wat een luidkeels, door de mollen, gezongen: "We are the champions, my friend", tot gevolg had. Tot op een dag het belendende perceel grond ons eigendom werd dat zou moeten gaan dienen als ezelwei. Eerst moesten er veel bomen gekapt worden, want je zag door de bomen de wei niet meer. Het gedreun van de gevelde bomen trilde zo diep door, dat de nog steeds aanwezige mollen het hazenpad namen naar onze buren en dáár rustig bleven...

Hoewel het dreunen van de vallende bomen op een dag was opgehouden, een ander geluid bleef steeds aanwezig: het doordringende geluid van acht ezelbenen in galop. Daardoor kwamen de mollen nooit meer weerom.
Als er nu iemand uit de buurt klaagt over mollenoverlast, staan wij vals te grijnzen en voorzien de ongelukkige van de volgende raad:
"Laat een paar ezeltjes in je tuintje galopperen en je bent zo van de mollen - maar ook van je struiken af".

31) Rookprobleem

Als je, zoals ik, zwaar verslaafd bent aan halfzware shag, brengt je dat vaak in netelige situaties. De drang om te roken is eeuwig aanwezig, vooral op momenten wanneer je niet mag roken. En aangezien je tegenwoordig bijna nergens meer mag roken, is mijn leven er niet eenvoudiger op geworden. Toch stap ik regelmatig op de trein, waarin je niet mag roken, om bij mijn kinderen in Nederland op visite te gaan. Het opgelegde rookverbod in openbare ruimtes neem ik dan maar voor lief. De treinen zijn tegenwoordig toch zo op elkaar afgestemd, dat de wachttijden kunnen oplopen tot drie kwartier. Tijd genoeg om dan wat teer en nicotine naar binnen te zuigen bij de rookpaal.

Het traject Mechelen - Schiphol neemt op de minuut af, twee uur en elf minuten in beslag. En iedere verstokte roker kan dan begrijpen wat ik als eerste deed toen ik op het voor mij bestemde perron aankwam: een sjekkie opsteken! Terwijl ik inhalig stond te inhaleren ging ik naarstig op zoek naar De rookpaal. Dat is tegenwoordig de plek waar je op tochtige perrons een longontsteking kan oplopen en ongestraft mag roken. Ik vond er géén en opeens flitste het door mijn hoofd, dat je hier misschien helemaal niet mocht roken. Om een bekeuring en een verschutting te vermijden, zocht ik naarstig naar een plek waar ik die vermaledijde sigaret kon weggooien. Op de grond? Nee, dat is asociaal gedrag. Inslikken? TE LAAT!

Er doemde twee grote agenten voor mij op. Oh, stik. Ik voelde mij als een kleuter die betrapt wordt op het jatten van een koekje. Frans kletsen, om ze in verwarring te brengen, was het eerste dat door mijn hoofd ging. Onzin natuurlijk. Zowel op mijn Nederlandse identiteitsbewijs, als op mijn Belgische verblijfsvergunning staat vermeld dat ik de Nederlandse nationaliteit heb. (Al zijn er mensen die de Nederlandse nationaliteit hebben en toch geen woord Nederlands kunnen of willen praten). De agenten maakten mij er op attent dat op dit perron een strikt rookverbod gold. Daar was ik door het ontbreken van de rookpalen ook al achter gekomen en meldde dat aan de heren.
"Maar,"zo sprak oom agent, "u mag pas gaan roken als u bij de rookpaal bent gearriveerd, áls die aanwezig is, en absoluut niet eerder en hier zijn er geen, dus u bent in overtreding. Identiteitskaart a.u.b.!".
Als grapje overhandigde ik eerst mijn verblijfsvergunning. De agent vroeg of ik soms in België woonde, waarop ik bevestigend antwoordde en niet kon nalaten om hem op de vetgedrukte letters: La Belgique te wijzen.
Ik sprong uiteraard, innerlijk kokend van woede, maar uiterlijk beleefd blijvend, tot het uiterste in de verdediging. Het mocht niet baten. Zelfs het in de strijd gooien van mijn vrouwelijke charmes boekten geen resultaat. De gevolgen? Een boete van, schrik niet, 50 euro's.

Een terrorist ben ik niet. Evenmin ben ik geen ontsnapte TBS-er of pedofiel. Van drugs dealen moet ik niets hebben en ik stond niet eens een dikke joint te roken. Ik ben gewoon een "nette" madame, die haar rookverslaving niet in bedwang kon houden. Na die geldverslindende ervaring laat ik het voortaan wel uit haar hoofd om op plaatsen te roken waar het verboden is.

Niet-rokers onder de lezers zullen denken: eigen schuld, dikke boete! Maar je zal maar verslaafd zijn aan chocolade! Vervang dan de woorden: roken, sjekkie en rookverbod in dit verhaaltje eens door: eten, chocola en snoepverbod. Misschien kan er dan enig begrip worden opgebracht voor mijn rookafhankelijkheid.
Natuurlijk liet ik het er niet bij zitten. Bij de officier van justitie tekende ik beroep aan tegen de mij opgelegde sanctie. Dat bracht tenminste wat lucht aan mijn opgekropte woede. Helaas, mijn wens op clementie ging in rook op.

32) Hoge nood

Al gedurende vier uur ben ik met de trein onderweg naar mijn kinderen die in Nederland wonen. Tijdens het laatste traject bevind ik mij in de nieuwste Sprinter van de Nederlandse Spoorwegen en merk dat ik nu toch wel héél erg nodig moet plassen.
Ongelukkig zit ik wiebelend op de bank in de nieuwste aanwinst van de N.S. te wachten op de conducteur. Hij is in geen velde of wegen te zien. Opstaan om de man te gaan zoeken zal een hachelijke onderneming worden maar als hij niet komt opdagen, zal het toch moeten. Mijn medepassagier gluurt tersluiks naar mijn roodaanlopend gelaat en ik probeer een geruststellende glimlach te produceren. Uiteindelijk neem ik een besluit en kom overeind om iemand van het personeel te zoeken. Met gekruiste benen strompel ik onbeholpen door het gangpad, gadegeslagen door verbaasd kijkende reizigers.
Pas als ik aan het eind van de trein ben, zie ik de kaartjesknipper staan kletsen in zijn GSM. Hij kijkt mij verwonderd aan maar doet geen enkele poging om zijn gesprek af te breken. Ondertussen heb ik het gevoel of mijn blaaswater een uitweg zoekt via mijn oren en doe verwoede pogingen om zijn aandacht te trekken. Hij ziet me nu staan en na een lang afscheidswoord door zijn telefoon te hebben gesproken staart hij mij vragend aan. Met veel moeite kan ik verstaanbaar uitbrengen of hij een plaszak voor mij heeft. Hij vraagt nog of ik echt hoge nood heb - want daar zijn ze alleen voor bestemd - en het lukt me om een bevestigende beweging met men hoofd te maken. Vermoeid overhandigt hij mij het ding en ik vraag waar ik kan lozen. Met veel ongeduld in zijn stem maakt hij mij kenbaar dat ik daarvoor aan het begin van de trein moet zijn waar een leeg hokje tot mijn beschikking staat.
Opnieuw schuifel ik, nog moeizamer dan de eerste keer, door het gangpad richting de kop van de trein. Het lijkt wel of de passagiers al aan mij gewend zijn: er wordt niet meer verbaasd naar mij gekeken. Slechts bij een enkeling kan ik een meelijwekkende uitdrukking waarnemen.
Met veel moeite en droog aangekomen in het boudoir van het treinpersoneel, doe ik een poging om op de juiste manier de zak te vullen. Het lukt totaal niet want op het moment dat ik mijn blaas wil ledigen neemt de trein een bocht en loopt de meeste urine naast de zak. Het restje wat er in komt is beschamend klein, maar maakt toch contact met het chemische middel wat mijn plas doet veranderen in een gel-achtige brei. Witheet door zoveel ongemak zoek ik nog een bak om de plaszak in te doen. Die is er niet.
Mijn stoppen slaan door en met veel misbaar open ik de deur van het kleinste kamertje, bots tegen de conducteur op en duw hem met veel elan de zak in zijn handen. Ik vlucht, op het juiste perron aangekomen, de stilstaande trein uit. De man roept me nog iets na wat ik kan interpreteren als: ben je nou helemaal van de pot gerukt? Waarop ik hem van repliek dien met de woorden:
“Van mij kan je de pot op!”
Een inhoudsloze uitspraak: Er is geen pot aanwezig in die trein.

33) Ezelstreken

Ongetwijfeld “zijn er veel ezels met twee benen” die deze dieren maar saai en/of dom vinden. Wij hebben daar andere ervaringen mee. Onze ezelmerrie Nala maakt er een halszaak van om vaak kattenkwaad uit te halen.
Het gebeurt regelmatig dat zij in het weitje banjert met een bezem of een stoffer in haar mond. Die heeft zij dan van het haakje gewipt en loopt er dan parmantig mee rond. Het lijkt er dan bijna op alsof zij zelf de stal wil gaan uitmesten. Het liefst laat ze die dingen dan zo ver mogelijk in het weitje achter, zodat echtgenoot Mees weer haar speeltjes kan opruimen.
Ook de drinkemmer ondergaat het zelfde lot. Hoewel die emmer in een ring staat die vastgemaakt is aan de stalmuur, kan zij de emmer uit die ring te trekken en leeg gieten. Daarna gaat zij er dan mee voet (hoofd) ballen. Het weitje loopt schuin af dus de emmer moet regelmatig onderaan weer opgevist worden. Daar moest een stokje voor gestoken worden. Nu zit er een beugel over de emmer geklemd zodat die met geen mogelijkheid meer uit de ring te trekken is.
Verder schept zij er een waar genoegen in om Mees tot wanhoop te drijven. Dat krijgt zij voor elkaar om hem, tijdens het plaatsen of weghalen van een hek, van diverse gereedschappen te ontdoen. Hamer, waterpas, nijptang verplaatst zij tijdens zijn werkzaamheden dan naar een andere plek.
Een ander kunststukje wat zij regelmatig uitvoert is het aan de binnenkant openen van de staldeur. Zij duwt met haar neus de ijzeren klink omhoog en trekt met haar mond aan de ring om de deur open te doen. Zij gaat er waarschijnlijk vanuit dat “het beter is om één ezel voor de ploeg te hebben dan twee paarden op stal”. Om te voorkomen dat zij dat ook ‘s nachts zou doen, heeft Mees nu aan de buitenkant van de deur een schuif gemonteerd. Zo wordt voorkomen dat zij de nachtrust van de buurtbewoners verstoort want “een ezel hoort zich zelf graag balken” (net als de meeste politici).

Maar het grootste genoegen haalt ze uit het pikken van hooi of stro.
De balen werden in de loop der jaren steeds hoger gestouwd, zodat ik, met mijn lengte van 1.65 cm., altijd een trapje moet gebruiken om er bij te kunnen. Toch lukt het Nala, om staande op haar achterbenen en haar nek totaal uitgestrekt, een lengte te behalen van bijna 1.80 cm. Dat impliceert dat er geen baal hooi of stro veilig voor haar is. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen, lukt het haar nog steeds - tot groot genoegen van de geiten - een baal van dat lekkers naar beneden te trekken. Er ligt dan zoveel hooi of stro op de grond dat “zij daar staat als een ezelin tussen twee hopper hooi/stro”.
Maar zij heeft ook haar goede kanten.
Als jonge moeder ontpopte zij zich als een echte kloek. Als haar echtgenoot te dicht in de buurt van hun veulen kwam, kon hij er op rekenen een klap voor z’n hoofd te krijgen. Nala deelde die uit als een volleerd dressuurpaard in de vorm van een “capriool” ( =het volledig uitslaan van de achterbenen. Dit is de moeilijkste van alle schoolsprongen en de kroon op de Academische Rijkunst!)
Hoezo, het spreekwoord: “wie als ezel geboren is, zal als ezel sterven” ?Gelukkig had Nala wél het volste vertrouwen ons.

Nu er toch over dressuur verteld wordt kan worden opgemerkt dat zij aangeboren kwaliteiten bezit waar een Lippizaner van de Spaanse Rijschool jaloers op zou kunnen worden.
Zonder enig hulpmiddel van een ruiter gaat zij tijdens een galop vloeiend over in “uitgestrekte draf” (= de passen zo lang mogelijk maken en de benen strekken, waarbij haar hoofd en hals iets dalen en langer worden).
Laatst kon ik zelfs vaststellen dat zij, wederom zonder hulpmiddelen, ook de kunst van het “wijken” beheerst. (= het voorwaarts-zijwaarts bewegen en kijken naar de tegengestelde richting waarheen zij gaat).
Nala zorgt ook voor het snoeien van laaghangende boomtakken. Rechtop staand op haar achterbenen is geen laaghangende tak te hoog voor haar. Daarbij voert zij soms een courbette uit (= kleine voorwaartse sprongen, slechts staand op haar achterbenen).

Niets van al die kunsten is haar door ons aangeleerd. Het is zelfs zo dat zij bijna niets op bevel uitvoert, wat dat betreft is zij “zo koppig als een ezel”, maar wel luistert naar haar naam.

34) Digitale ontwikkeling

Het begon allemaal met een cd-speler. Voor muziek-cd’s wel te verstaan.
Uiteraard vond ik dat een ongeoorloofde, onnodige, dure en luxe uitgave. Ik nam nog steeds genoegen met de platenspeler. Maar uiteindelijk zwichtte ik voor de smekende ogen van echtgenoot Mees Wij hadden immers al één cd en wat moet je met zo’n schijfje zonder speler? Met de aanschaf van zo een apparaat, midden jaren tachtig, kochten wij meteen nog een paar cd’s. Thuisgekomen met onze nieuwe aanwinst ging Mees gelijk de boel aansluiten en schoof één van de nieuw aangeschafte cd’s er in. Wat ik toen hoorde bezorgde mij koude rillingen en warme tranen van ontroering. Ik hoorde geen geruis of gekras, maar zuivere muziek!

“Nee, in mijn huis komt géén computer”, riep ik meermaals resoluut. Natuurlijk kwam er zo’n ding, men moest immers met zijn tijd mee gaan.
“Kan jij brieven op maken en wij onze scripties. Kunnen wij leuke spelletjes op doen en jij kan er op patiencen”. Dat waren de argumenten van mijn drie kinderen en ik gaf weer toe. Nadat ik had geleerd hoe het ding aan en uit moest, ondervond ik de voordelen bij het maken van mijn brieven, zat ik eindeloos te patiencen en correcties aan te brengen in de scripties van mijn kinderen. Het begrip “Windows” kreeg voor mij nu ook een andere betekenis dan “ramen”.

Ik was niet meer achter de pc weg te slaan: ik typte ettelijke lijstjes en geheugensteuntjes, sloeg ze op en printte die voor de zekerheid ook maar. Toen één van onze kinderen het gebruik van “Excel” aan mij uitlegde, was ik helemaal niet meer te houden. Dat was handig om kolommen te typen of je uitgaven bij te houden waarvan de bedragen, wonder boven wonder, vanzelf opgeteld werden.

Dan ook maar internet. Een begrip dat mij niets zei maar dat legde kind nummer twee haarfijn uit. De telefoon werd onbruikbaar tijdens het internetgebruik maar het was nuttig voor het opzoeken van informatie voor de scripties, waar geen einde aan leek te komen. Tevens bereikte de telefoonrekening al snel een ongekende hoogte.
“ADSL Mies, dat is de oplossing”, pleitte ons derde kind: tegen een vast tarief onbeperkt internetten, de telefoon blijft bruikbaar en je hoort niet op de achtergrond een gebruiksmetertje tikken. Het leek ideaal en was en is het ook. Daardoor leerde ik dat “surfen” meer is dan op een plank in de golven staan. Ook ging ik e-mails schrijven én verzenden. Tevens stuurde ik mijn stukkies de wereld rond in de stille hoop om als een tweede Yvonne Keuls te worden ontdekt. (helaas).
Daarnaast werd ik creatief met verjaardagskaarten: die maakte ikzelf, met illustraties, op de computer. Wel bleef ik de kaarten gewoon per post versturen. Later kwam daar verandering in. Digitaal verzenden had toch voordelen: het spaarde een postzegel uit en het gaf de zekerheid dat de wensen op de juiste dag arriveerden.

Jaren later kwam er weer een digitale innovatie bij ons in huis. Dat was een uitvinding: geen rolfilmpjes meer kopen, meteen zien of je foto’s gelukt zijn, eindeloos kiekjes kunnen maken en ze dan later op je gemak uitzoeken en zonodig deleten. De mooiste resultaten werden opgeslagen in de pc, maar heel bijzondere foto’s, en ik vond de meesten héél bijzonder, printten wij toch nog en kregen een plaatsje in een album.
Het begrip “branden” op cd of dvd wilde er bij mij nog niet helemaal in. Dat zou veel later plaatsvinden maar toen was ook het hek van de dam.

Wij besloten om alle foto’s, die vierenveertig albums in beslag namen, te gaan branden op een dvd. Dit hield in dat wij eerst de foto’s uit de albums moesten scheuren, daarna scannen, waarna Mees ze bewerkte in “Photoshop”. Pas toen waren ze klaar om gebrand te worden.
Nou bleek dat op een beetje dvd wel vijfduizend foto’s gebrand konden worden, wat wij maar met een korreltje zout namen. Zodoende besloten we om een pak nieuwe te kopen, zodat we in ieder geval genoeg voorraad hadden. In de winkel aangekomen, bleek de sortering dvd’s wel heel erg groot te zijn. Wij voelden ons bijzonder onnozel dat wij écht niet wisten welke er gekocht moesten worden die voor ons doel geschikt zouden zijn. Gelukkig had ik mijn gsm op zak en belde ik een schoonzoon voor deskundig advies.

De foto’s zijn nu allemaal gebrand en de fotoalbums zijn uit ons huis verbannen. Lekker makkelijk voor onze kinderen: het is dan voor hen niet meer nodig om de albums weg te gooien als wij het loodje hebben gelegd. Zij hebben een kopie van de gebrande herinneringen. De lege planken in de kasten, die zijn ontstaan door het verwijderen van de fotoboeken, zijn alweer door mij gevuld: met nieuwe (lees)boeken.
Het systeem “branden” heeft nog meer invloed op mijn leven gehad. Ook mijn stukkies en memoires zijn nu gebrand. Een veilig idee voor als de pc zou crashen. Zelfs denk ik er aan om al mijn boeken op dvd’s te zetten, kunnen ook alle boekenkasten de deur uit. Ruimt lekker op want ik moet, met het schaamrood op mijn kaken, bekennen dat er nu twee pc’s en twee laptops in ons huis vertoeven.

35) Niet één...maar twee pups

In het eerste half jaar van 1997 verlieten onze beide dochters het ouderlijk nest. Dat werd nog leger toen wij in de tweede helft van dat jaar onze Schotse Collie, Fabyen moesten laten inslapen. Hij was ruim dertien jaar geworden.
Bij mij bracht dat alles wat verveling teweeg. Vooral omdat ik nu ook mijn dagelijkse wandelingetjes met Fabyen miste. Uit louter lamlendigheid ging ik postzegels verzamelen. Op zich is dat een respectabele hobby, maar het strookte totaal niet bij mijn karakter. Tevens ging ik nu maar iedere dag naar de supermarkt om toch even een frisse neus te halen, terwijl ik een bloedhekel had en heb aan boodschappen doen. Daarnaast moesten Bas, ons jongste kind, en echtgenoot Mees met lede oren vaststellen dat ik gestopt was met zingen; eigenlijk geen grote ramp want mijn zangkunst wordt door niemand gewaardeerd.

Om aan mijn lusteloosheid een einde te maken, stelde Mees voor om weer een nieuwe hond in huis te nemen. Daar wilde ik in eerste instantie niets van weten maar al spoedig zat ik in een hondenencyclopedie te bladeren - van Google had ik toen nog nooit gehoord. Als er een nieuwe hond in huis zou komen dan moest het wel een totaal ander ras zijn dan Fabyen. Louter en alleen om te voorkomen dat ik constant het gedrag van de nieuwe Collie zou gaan vergelijken met die van Fabyen. De keus viel op een Siberische Husky. Maar dan wel een vrouwtje. Al snel lazen wij een advertentie waarin nog enkele pups van dit zachtaardige ras beschikbaar waren. Een afspraak met de eigenaar werd gemaakt en wij togen, in gezelschap van Bas, naar Noord-Brabant. Daar werd het mormeltje uitgebreid getest en bekeken. Het was een schatje! Haar broertje was ook nog beschikbaar zodat wij besloten hem er maar bij te nemen. Twee Husky’s vernielen minder dan één exemplaar omdat de verveling minder snel toeslaat. Bas was op het moment van die beslissing afgeleid, omdat hij met de vrouwtjespup aan het spelen was. Hij vroeg daarom voor wie het mannetje zou zijn. Zijn mond bleef van louter vreugde vijf minuten openstaan toen wij hem vertelden dat we besloten hadden om hen allebei te nemen.

De kleine boefjes waren al snel gewend aan hun nieuwe woonomgeving. Het gordijn in het halletje was hun lievelingsspeeltje zodat er binnen de korts mogelijke tijd slechts wat flarden voor het raam hingen. Maar verder ging hun vernielzucht niet. Dat reageerden zij wel op elkaar af: met de regelmaat der klok waren zij letterlijk en figuurlijk aan het bekvechten. Dit alles vond plaats om uit te maken wie de volgende, onder ons en Bas, in de hiërarchie zou zijn. Iwan, het mannetje, kwam als winnaar uit de bus, maar maakte daar geen misbruik van. Kaya, het vrouwtje, probeerde soms de plek van haar broertje in te pikken maar daar werd geen halszaak van gemaakt. Dat deden zij beiden wel om te kunnen ontsnappen.
Net als wij, heeft menige Huskybezitter een speurtocht moeten ondernemen om zijn hond weer terug te vinden. Een door gaas omheinde tuin of kennel is niet afdoende. Husky’s kunnen graven als de beste. Dat was ook de reden waarom Mees ons toenmalige tuintje in Almere had ontdaan van gras en bloemetjes. Een totaal betegelde tuin met een hekwerk in cement gegoten, voldeed tegen het ontsnappen via een gegraven gat. Wij zorgden er tevens voor om deuren en hekjes steeds goed te sluiten.

Toch presteerde Kaya het om een sensationele ontsnapping te realiseren. Wij waren een keer net van plan onze sleepboot los te gooien om een sluis uit te varen, toen Kaya van boord sprong. Paniek en hilariteit alom. Maar dankzij het doortastende optreden van enkele sluistoeristen werd zij in haar nekvel gegrepen en terug aan boord gebracht. Ook Iwan liet zich niet onbetuigd. Op één van de eerste avonden die wij doorbrachten in ons huis in de Ardennen, nam hij de kuierlatten. Vanuit een zittende houding sprong hij over het één meter hoge hek en verdween het donkere bos in, op jacht naar “wild”. Met veel lokgeluidjes en een rammelend koekblikje kwam hij weer terug maar aan de boskant van het hek. Kordaat greep ik hem, hangend over het hek, in zijn kladden en dacht: Die laat ik niet meer los, al sleurt hij me over het hek heen. De volgende ochtend was het hek verhogen de eerste klus die Mees uitvoerde.

Door die enorme vrijheidsdrang van Husky’s was het bijna onmogelijk om ze los te laten lopen. Wandelen en uitlaten gebeurde dus ook bij Kaya en Iwan, aan de riem. Verwacht niet dat je dan rustig kon wandelen; denkend dat de mens een slee is, bleven ze trekken aan de riem, zeker als je eens een nieuwe route nam. Als wij tijdens een wandeling even stil bleven staan om van een uitzicht te genieten of om op adem te komen gaven Kaya en Iwan piepend en huilend aan (een Husky blaft zelden) dat stilstaan zonde van de tijd is.

Pas toen de hondjes ouder werden kregen ze wat meer rust in hun gat.
En dat komt goed uit, want ook wij worden er niet jonger op.

36) De eerste keer

Het is alweer een paar jaar geleden dat ik gedurende drie weken regelmatig naar een advertentie zat te staren. Ik zou wel snel een beslissing moeten nemen, want de eerste keer zou al over een paar dagen plaatsvinden. Ik zeurde echtgenoot Mees de oren van zijn hoofd met de vraag of ik het nu wel of niet moest doen. Maar Mees, zo verstandig als hij is, zei dat ik dat toch echt zelf moest beslissen en als ik het leuk vond, het ook moest doen. De volgende dag was de inschrijving een feit.

Op “De Dag” had ik vlindertjes in mijn buik, want ik was erg benieuwd naar de andere inschrijvers én naar degene die het zou organiseren. Voor de verandering had ik mijn stalplunje verwisseld voor schone kleren, om te voorkomen dat er een penetrante dierengeur om mij heen zou hangen. Tevens had ik mijn gezicht bewerkt met wat mascara, oogschaduw en lippenstift. Die handelingen gaan mij zeer moeilijk af. Meestal zit de make-up juist daar waar het niet hoort te zitten.
Op de fiets pendelde ik naar het station en zette, geheel volgens Amsterdamse gewoonten, mijn fiets goed op slot. Groot was mijn schrik toen men mij vertelde dat de eerstvolgende trein naar mijn bestemming pas om één uur zou vertrekken. Op dat tijstip zou juist de aanvang van mijn eerste keer plaatsvinden.
Dan maar weer naar huis, bellen dat ik wat later zou komen en mijn wachttijd uitzitten. Maar een reddende engel verscheen op mijn pad. Buurvrouw Yvette vroeg mij of het vandaag nog doorging en op mijn uitleg over de onhandige treintijden antwoordde zij: “Mens, dan breng ik je toch even, zorg jij maar dat je om half één weer hier bent”.
Overdonderd door zo veel burenliefde, zette ik thuis mijn fiets in de garage en was op tijd bij mijn weldoenster. Ik uitte mijn dankbaarheid in vele Franse woorden die zij afdeed met: “We zijn toch op de wereld om elkaar te helpen, nietwaar?”

Toen het begon viel er een grote last van mijn schouders. De twaalftal mede-inschrijvers, elf dames en één heer, waren normale mensen. Al snel merkte ik op dat de meeste vrouwen ook niet opgemaakt ten tonele waren verschenen. Dat zou ik gelukkig bij de volgende keren achterwege kunnen laten. De dame die het had georganiseerd was vriendelijk en bezat een grote dosis humor. Haar ronde gezicht straalde ijver en enthousiasme uit. Na de geijkte kennismakingsronde, kregen we uitleg over de gang van zaken voor nu en later. Ook deden we wat testjes en oefeningen en was het, veel vroeger dan gepland, opeens voorbij. Zodoende zou ik nog twee uur moeten wachten op de trein die mij naar mijn dorp kon brengen.

Wachten is niet mijn sterkste kant, dus besloot ik om die vijf kilometer naar huis te voet af te leggen. In een grijs verleden heb ik immers met mijn kinderen ook ettelijke kilometers gelopen tijdens de avondvierdaagse. Eveneens had ik samen met Mees in de Zwitserse- en Oostenrijkse Alpen rond gesjokt. Daarom trok ik de stoute wandelschoenen aan en ging op pad. Onderweg verveelde ik mij geen moment, er was zoveel te zien: te hard rijdende personenauto’s, stinkende bussen en vrachtwagens, scheurende motorrijders en zelfs laagvliegende straaljagers. Opeens hoorde ik een geluid, wat mij deed denken aan een aanstormende locomotief. Vol ongeloof staarde ik naar de voorbijsnellende trein, richting mijn woonplaats. Had ik dan toch niet goed op de dienstregeling gekeken?
(Later onderzoek wees uit dat die trein niet stopte bij mijn vertrekstation)

Halverwege mijn wandeling vond ik dat het tijd was voor een sjekkie en een pauze. Ik zocht een veilig plekje langs de weg en tastte vol verlangen in mijn achterzak naar mijn shag. Niets, verloren! Teleurgesteld stapte ik maar verder, want een stop zonder rokertje is voor mij geen echte rustpauze. Het laatste beetje water, dat ik eerder op die dag had gekocht, werd naar binnen gegoten en na één uur was ik bijna thuis. Yvette was nog steeds in haar tuintje aan het wroeten en was verbaasd mij nu al te zien. Ik vertelde haar over de late vertrektijden van de trein en van mijn wandeltocht. Met open mond van bewondering hoorde zij mij aan, zij verplaatst zich namelijk alleen per auto. Nadat ik haar had verzekerd dat ik het laatste stukje naar huis nog lopend kon opbrengen, liep ik weer door. Thuis begroette ik de honden, nam een sigaret en kroop achter de computer om te vertellen hoe mijn eerste dag als “studente Franse taal” was “vèr”lopen.

37) Puberaal gedrag?

Ze is ruim veertien jaar.
Als ik haar roep kijkt ze mij aan met een blik: Ja, wat nou weer? Wanneer ik haar zeg dat we een eindje gaan wandelen, draait zij haar hoofd om. Ze laat duidelijk blijken daar totaal niets voor te voelen. Na veel aansporingen zwicht zij voor mijn verzoek. Het gaat niet van harte: zuchtend en steunend komt zij aangeslenterd. Ze neemt niet de moeite om haar pas te versnellen en geduldig blijf ik wachten tot ze eindelijk buiten is. Tijdens onze wandeling doet zij alles routinematig. Haar wandeltempo is tergend langzaam en haar belangstelling voor de omgeving wordt maar zelden gewekt. Slechts het zien van een poes doet haar soms alert reageren, àls ze het beestje al ziet. Mij voorttrekken doet ze niet meer. Ik ben het, die haar tot actie moet dwingen.
Zijn we weer thuis dan ploft ze overgelukkig en met een diepe zucht neer. Nou, dat hebben we tenminste ook weer gehad, zie je haar denken en ze trekt zich terug in haar eigen wereldje. En dan te denken dat ze in haar jongere jaren, niets liever deed dan rennen en eindeloze wandelingen maken.

Gelukkig vertoont ze geen symptomen van anorexia nervosa: haar eetlust is optimaal. Als ze merkt dat ik met het eten bezig ben, wordt ze zelfs zeer ongeduldig. Ze laat luidkeels merken dat ze honger heeft en haar voedsel nú wil hebben. En binnen niet afzienbare tijd heeft ze alles naar binnen geschrokt.

Geduld is toch iets wat ze moeilijk op kan brengen. Wil ze even in haar uppie naar buiten, dan heeft ze het liefst dat je gelijk opspringt om voor haar de deur open te doen. Doe je dat niet, dan begint ze luidruchtig aan te geven dat ze naar buiten wil en wel: meteen! Vergeetachtig is ze ook. Want is ze eenmaal buiten, dan zie je haar denken: Wat moet ik hier eigenlijk? waarna ze blijk geeft dat ze onmiddellijk weer naar binnen wil. Ook moet ze menigmaal gecorrigeerd worden bij het hekje dat naar de tuin leidt. Ze staat namelijk steeds juist dààr, waar het hekje niet hangt.

Wat de verzorging van haar weelderige haardos betreft, heeft ze maar één mening: blijf er af, "kannutsellefwel". Dat is iets wat zij altijd heeft gehad, dus ook nu nog. Helaas heeft ze plekjes waar ze zelf niet bij kan. Dus als ze in haar zoveelste diepe slaap is, neem ik mijn kans waar. Voordat ze goed en wel wakker is, heb ik toch wat van die plekjes kunnen ontklitten. Ze neemt het me niet in dank af.

Toch, zo af en toe, een heel enkele keer, maar zeer sporadisch, komt ze opeens tot leven. Ze wil dan plotseling spelen met haar huisgenootjes. Dat is meestal niet voor lange duur. Maar tijdens het spel gedraagt ze zich wel als een jonge hond.
En dat valt niet mee als je een Siberische Husky bent van ruim veertien jaar.

38) Brave hond

Onze Waalse tandarts is een schat van een vrouw. Ze is heel geduldig en neemt alle tijd om je gebit goed onder handen te nemen. Daarbij komt, dat zij veel inspanningen levert om Nederlands te praten, zoals wij een poging doen om in het Frans met haar te converseren. Het tandartsjargon is immers een andere taal dan wanneer je met de buren over het weer staat te kletsen. Bij ieder bezoek van ons leert zij wat nieuwe Nederlandse vakwoorden. En omgekeerd leren wij weer enkele nieuwe Franse woorden uit haar tandartsentaaltje. Ze is erg leergierig want zij krijgt steeds meer Nederlandstalige patiënten. Meestal gepensioneerden die in Wallonië hun oude dag slijten. Dat zijn welkome klanten voor de dame, want hun gebit is ook aan slijtage onderhevig.

Haar behandelkamer is klein, maar van alle gemakken en moderne apparatuur voorzien. Ze werkt erg steriel en gebruikt, zoals het hoort, voor iedere patiënt een opnieuw gesteriliseerd instrumentarium. Dat wij dit weten, komt omdat echtgenoot Mees en ik altijd gezellig samen naar haar toe gaan. In haar folterkamer staat ook, op enkele meters van de pijnbank, een stoel voor de begeleider van haar slachtoffer. Dat meubelstuk staat bewust zo ver om te voorkomen dat op korte afstand, op haar vingers gekeken kan worden.
Nieuwsgierig als ik ben, lap ik die zetel altijd aan mijn laars en bekijk van dichtbij en argwanend wat zij in Mees zijn mond uitspookt. Ze tolereert mij, uitgaande van de gedachten dat ik mijn commentaar voor mij houd. Dat doe ik ook, maar ik bestook haar, zo goed en zo kwaad als het gaat in het Frans, met ettelijke vragen. Zij vindt die interesse schijnbaar niet storend want in ratelend Frans krijg ik antwoord. Eerlijk gezegd begrijp daar weinig van, maar het doodt de wachttijd.

Bij ons laatste bezoek aan deze brave vrouw lag ik op de behandelsofa en Mees zat op de stoel wat in een tijdschrift te bladeren. Ze vond dat het weer tijd werd om röntgenfoto’s van mijn gebit te maken. Het röntgenapparaat staat in de behandelkamer en zij bedient het op twee meter afstand. Ze plaatste iets in mijn mond wat ik met mijn kaken op elkaar op zijn plek diende te houden en moest doodstil liggen. Na enkele seconden was het gepiept. Toen moest de andere kant van mijn kaak op de foto.
Nadat alles weer in mijn waffel was gepropt en ik niet meer mocht bewegen, riep zij in haar beste Nederlands naar Mees: “U, … komen, … hier!” Hij keek verstoord op uit zijn literatuur en zag de dame, wild zwaaiend met haar armen, naar een plek wijzen waar hij zich diende te vervoegen. Verbaasd deed hij wat zij vroeg, al had hij geen idee waarom zij die bevelen blafte. Toen hij op de aangewezen plek stond, voegde zij er nog aan toe: “Blijf!” Mees bleef stokstijf staan en had niet de moed om zich nog te verplaatsen. Nadat het tweede kiekje van mijn mond was gemaakt rukte ik het fotomateriaal er uit en barstte in een onbedaarlijke lachbui uit. Enigszins op adem gekomen, legde ik aan Mees uit waarom hij zich had moeten verwijderen uit de stoel: hij zou anders ongewild een dosis straling opgevangen hebben. De tandheelkundige stond perplex naar mij te staren en vroeg waarom ik zo een pret had. Zo eenvoudig mogelijk probeerde ik haar uit te leggen dat de woorden, die zij op die manier tegen Mees had uitgesproken, wij normaliter gebruiken om een hond af te richten. Zij zag er gelukkig de humor van in en bood zelfs haar excuses aan. Toch kon ze niet nalaten om te zeggen: “Nou, hij gehoorzaamt perfect op mijn bevelen” en rechtstreeks tegen Mees: “Brave hond”.
Het is niet onwaarschijnlijk dat zij, bij ons volgende bezoek, Mees een hondenkoekje zal aanbieden. Van ganser harte hoop ik dat hij het dan uit zijn hoofd laat om te gaan blaffen. Alhoewel, blaffende honden bijten niet (in tandartsvingers).

39) Twee complete bokken

Er zijn van die gebeurtenissen die nooit zullen vervelen, zelfs al heb je het meerdere keren meegemaakt. De spanning kan aardig oplopen als je weet dat er weer zoiets gaat plaatsvinden, maar vooral indien je niet precies weet wanneer.
Bij mij uitte zich dat in een maandlang nagelbijten. Dolan, het Belgische bruin/witte dwerggeitje, zou binnenkort voor de tweede keer gaan lammeren. Bij haar eerste worp in januari 2007, die Floris de Vijfde tot gevolg had, was assistentie vereist van de veearts. Zij vertikte het toen om tot het einde van de bevalling te blijven persen. Zou ze weer zo laks zijn?
Hoe dikker Dolan werd, hoe intensiever onze observaties werden. Het arme “schaap” kon op het laatst met haar achterpoten alleen nog maar wijdbeens lopen. Dat kwam omdat haar uiers de omvang hadden gekregen van een strandbal. Eigenlijk kon men van lopen niet meer spreken: het leek meer op het waggelen van een pinguïn.

Toen half september 2008 onze dochter Lisa en haar partner André op het punt stonden om weer naar Nederland af te reizen, keken we eerst nog waar de hoogzwangere dame uithing. Zij liep op het geitenheuveltje met in haar kielzog een pasgeboren lammetje!
Wij snelden naar haar toe en verwachtten dat Lisa en André ons wel zouden volgen. Dat gebeurde in eerste instantie niet. Zij dachten n.l. dat het onrust bij Dolan zou zaaien als er vreemden bij waren. Nadat ik hun gerustgesteld had dat het geen kwaad kon, kwamen ook zij naderbij. De och‘s en de aah’s waren natuurlijk niet van de lucht. Aangezien het al ging schemeren, moest Dolan met haar kleintje naar stal. Ik paste de altijd slagende truc toe: eten geven. De andere geiten en de schapen kwamen al snel naar hun onderkomen gerend, maar Dolan stond in tweestrijd. Eten of bij haar kindje blijven? Dat werd opgelost door echtgenoot Mees. Terwijl Dolan aarzelend naar de stal, dus richting voedsel liep, begeleidde hij teder het lammetje naar de moeder toe. Daar aangekomen, bewonderden we de nieuwgeborene nogmaals en konden we vaststellen dat het een weer bokje was. Wij complimenteerden de jonge moeder met het feit, dat zij nu wél op eigen kracht een lammetje op de wereld had gezet. Even leek het er op dat er nog een tweede zou komen, maar dat waren slechts hevige naweeën.
Op de vraag van Lisa hoe de nieuwgeborene zou gaan heten, antwoordde ik dat het wel leuk zou zijn om hem Johan van Oldebarneveldt te noemen. Dit om de traditie van “Oude Bekende Nederlanders” voort te zetten. We hadden immers al Karel de Grote en Floris de Vijfde. Met die wetenschap vertrokken onze kinderen naar hun eigen huis. We lieten het dit keer achterwege om een aparte kraamkamer in de stal te creëren, aangezien Dolan haar jongste zoon goed beschermde tegen de andere stalbewoners.

De volgende ochtend keken wij met spanning toe hoe Nala en Sarabi, de ezelmerries, reageerden. Bij het zien van het pasgeboren lam, nam Sarabi van schrik de benen. Nala zag hem als een voetbal en duwde hardhoofdig de kleine Johan een paar meter voor haar uit. Dat vonden we een gevaarlijke situatie. We besloten om wéér een afscheidingshek te plaatsen tussen de ezeltjes en de andere dieren. En zo ging Mees voor de zoveelste keer, wéér het weitje in met armen vol gereedschap.
Johan groeide goed. Hij leek qua kleurstelling precies op zijn ma en had de afmeting van zijn kleine pa Indy. Zijn halfbroertjes, Kareltje en Floris, waren al onder het mes geweest om hun klokkenspel te laten verwijderen. Maar nu waren er wederom twee complete bokjes. De vraag deed zich voor of dat wel zo zou kunnen blijven. Wij zaten er niet op te wachten dat Johan incest zou plegen bij zijn moeder. Het oedipuscomplex komt ook bij dieren voor.
Er lag voor hem dus nog een bok-onterende ingreep in het verschiet.

40) Marktgekte

Ons dorp in de Waalse Ardennen kan zich iedere zondag verheugen op een markt. Veel bezoekers proberen daar hun slag te slaan, maar vooral in de zomermaanden is er een enorme toeloop van belangstellenden. Het zijn met name de toeristen, die er van uit gaan, dat ze de koopjes van hun leven kunnen bemachtigen. Zij komen massaal met de auto om de ongeveer vijftig kramen te bekijken. Toch bestaat het grootste deel van de kraampjes uit eettentjes. Dat is duidelijk te zien: tachtig procent van de kooplustigen loopt om elf uur in de ochtend al met een vette hap in de handen.
Het kan nog erger. Ieder jaar, op elf november, wordt in onze woonplaats ‘Le Foire Saint Martin” georganiseerd, een soort mega-markt die te vergelijken is met de wekelijkse zondagsmarkt, maar dan twaalf keer zo uitgebreid.
Het verband met “Armistice” - de viering van de wapenstilstand na de eerste wereldoorlog - die ook op die dag wordt herdacht, heb ik nog steeds niet kunnen leggen.

Toen wij dat evenement voor het eerst meemaakten, wisten we niet wat ons overkwam. De hele ochtend was er een toestroom van een niet geziene hoeveelheid auto’s die onze gemeente belegerde. De voertuigen werden overal waar het maar enigszins toeliet, schots en scheef geparkeerd. Nieuwsgierig geworden naar wat er gaande was, liepen wij naar de dorpskern. Verbijstering sloeg bij ons beiden toe: alle straten waren volgepropt met marktkraampjes en je kon bij wijze van spreken over de hoofden lopen door het aantal mensen die daar slenterde. Wij maakten vlug dat we weg kwamen, want wij zijn op z’n zachts gezegd niet gecharmeerd van een mensenmassa. Plaats daarbij een honderdtal kinderwagens en evenzoveel honden - die gedoemd zijn met hun baasjes mee te moeten - en onze lust om verder op onderzoek uit te gaan, was verdwenen.

Dit jaar werd voor de honderdachtendertigste keer deze jaarlijkse giga-markt georganiseerd. De eerste keer vond namelijk plaats in achttienhonderddrieënzeventig. Voor ons zou het op de elfde van de elfde in het jaar tweeduizendelf de elfde keer worden dat wij dit speciale evenement moesten meemaken. Wij gingen er van uit dat we nu wel gewend waren aan de drukte op die dag, maar het tegendeel was waar.
Met open mond stonden we wederom vanaf ons balkon de toeloop van wagens en mensen te bekijken. Duizenden auto’s moesten geparkeerd worden en terwijl het voorheen een rommeltje was, nu had een plaatselijk boer zijn weiland als parkeerplaats beschikbaar gesteld. De regen had de afgelopen weken verstek laten gaan, zodat zijn eigendom niet tot moes gereden kon worden. Keurig had hij met palen en linten parkeerhavens gemaakt. Met grote borden langs de doorgaande weg werden de automobilisten geattendeerd op een luxe bewaarplaats voor hun voertuig.
Dat is in het verleden wel anders geweest. Meestal is het op die dag verschrikkelijk slecht weer: stormachtige wind en veel neerslag. Als gevolg daarvan, zitten veel autobezitters bij hun vertrek met hun vervoermiddel vast in de zompige bermen.
Had het deze dag toch slecht weer geworden, dan had de boer de ongelukkigen met zijn krachtige tractor een handje kunnen helpen om de wagens uit de modder te trekken.


Wat al die vijftigduizend bezoekers te zoeken hebben op de markt, waar ongeveer zeshonderd kramen staan, is ons een raadsel. Sommigen rijden honderden kilometers om op koopjesjacht te gaan. Zij gaan kennelijk voorbij aan het feit dat ze een volle tank benzine hebben verreden, dat al gauw neerkomt op vijfenzeventig euro. En dan te denken dat ze dat zelfde bloesje of truitje in hun eigen woonplaats misschien nog voordeliger hadden kunnen kopen.
De bewoners van ons belegerde gehucht treffen voorzorgsmaatregel om te voorkomen dat hun berm aan gort wordt gereden. Zij spannen er zodanig een lint voor, dat het onmogelijk is om daar een voertuig neer te zetten. Sommigen barricaderen hun veldje zelfs met zware boomstammen. Ook krijgen zij op die dag vaak visite van kennissen of familieleden die ze normaal nooit zien of waar ze een hekel aan hebben. De visite heeft nu wel een opvangadres om de auto te stallen en - indien nodig - een gratis slaapplaats.

Zijn alle bezoekers rond acht uur ‘savonds weer vertrokken, dan keert de rust terug. De inwoners worden echter nog dagen daarna herinnerd aan de invasie. De straten en bermen liggen vol luiers, plastic frietbakjes en ander zwerfvuil. Daarbij komt, dat de normaal zo frisse lucht in de Ardennen, dagenlang vergeven is van de geur van uitlaatgassen. Bij een meting van de hoeveelheid fijnstof in de atmosfeer, zou een dramatisch hoge piek waar te nemen zijn. De lokale horeca maakt zich daar allemaal niet druk om. Hun kassa’s puilen uit van de verworven inkomsten van die dag. Zij kijken al weer uit naar volgend jaar. Wij zouden het liefst die dag dan overslaan. Toch zou ik eigenlijk blij moeten zijn met dit gebeuren: het geeft mij misschien weer fijn stof om over te schrijven.

41) Het houdt niet op

Het begon een gewoonte-gebeurtenis te worden. De geschiedenis herhaalde zich, maar werd nooit vanzelfsprekend of saai gevonden. In ieder geval niet bij ons. Op één uitzondering na, was de hulp van een arts/verloskundige niet nodig geweest . Het werd iedere keer zelf gedaan. Om jaloers op te worden! Nou had ik niets te klagen. Ik had jaren geleden, op mijn gemak, drie kinderen gebaard. (wel met assistentie van een arts, hoor) Maar ik was wel op de hoogte van andere bevallingen. Enge horror verhalen met veel bloederige details waren in de loop van mijn leven al gepasseerd. Bevallingen die”dagen” duurden, weeën die opgewekt moesten worden, inscheuringen van hier tot Tokio.

Bij ons dierengespuis ging het op de Miesmanier maar dan, in 99%, zonder arts. De eerst volgende bevalling, in maart 2009, deed zich voor in de avonduren. Toen ik ‘savonds de geitenstal binnen kwam om de beestjes hun rauwe groenterestjes te geven, bleek dat Jansie, het zwart-witte Belgische geitje, weer een nakomeling ter wereld had gebracht. Ik brulde met een stem van een generaal naar echtgenoot Mees, die in ezelstal was. Eerst dacht hij dat er iets ernstigs aan de hand was bij de geiten. Maar mijn lachende gezicht stelde hem gerust. Vlug gaf hij de ezeltjes hun wortels en snelde de geitenstal binnen. Natuurlijk stonden wij weer te aah-en en te och-en. Het bleef toch iedere keer weer een aandoenlijk schouwspel om een pasgeboren geitenlammetje te zien. Nieuwsgierig naar het geslacht, nam ik het kleintje in haar armen en kon Mees, die onderhand een kennersoog had ontwikkeld, vaststellen dat het dit keer een dametje was! Dus na drie zoons, was het Indy, het dwergbokje, eindelijk gelukt om een dochter te verwekken. Zij kreeg de naam Isabella van Spanje. Haar ma Jansie, beschermde haar erg goed en deed er alles aan om haar te voeden. Maar toch maakten wij ons een beetje zorgen om Isabella. Ondanks haar goede eetlust, bleef het maar een klein geitje. En met Karel de Grote in ons achterhoofd, die ook niet goed wilde groeien,  kregen wij grote twijfels of Isabella wel zou opgroeien tot een volwassen dame.

 Drie maanden later werd er weer een lammetje geboren. Ditmaal was Dolan, het wit/bruine Belgische geitje, de trotse moeder. Tijdens een zomerse onweersbui met veel regen en harde donderslagen, hadden alle geitenstalbewoners zich wijselijk in de stal teruggetrokken.

Wij zaten droog en beschut op ons terras, onder het afdakje, het natuurgeweld te bekijken, toen er tussen twee donderslagen door opeens een zacht gemekker in de stal te horen was. Isabella kon het niet zijn want die was al in staat om behoorlijk wat decibel te produceren. In galop spoedden wij ons door de moessonbui naar de geitenstal en ja hoor...Wéér ge-aah en ge-och, wéér kijken naar het aandoenlijk schouwspel en maar wéér het geslacht bepalen. En, oh wonder, het was wéér een vrouwtje. Die Indy toch, zijn chromosomen hadden wéér hun best gedaan! Dit dametje moest verder met de naam Maria van Bourgondië door het leven gaan (och arme).

Zij ontwikkelde zich erg goed. Naast het feit dat zij als kool groeide, bezat zij een enorme ondernemingsdrang. Twee dagen oud stond zij al op het hoogste punt van de klimrots! Verder schepte zij er een waar genoegen in om Isabella te plagen maar ook om met haar te rennen en te spelen. Al snel bleek dat zij ook groter werd dan Isabella. De zorgen die wij om Isabella hadden, bleken niet ongegrond. Slechts vijf maanden na haar geboorte moesten Jansie en wijzelf afscheid nemen van Isabella. Alle drie waren we flink aangedaan door dit overlijden. Alleen wijzelf konden voorkomen dat deze verdrietige geschiedenis zich bleef herhalen. Hier moest preventief en drastisch ingegrepen worden! Daarover is in de volgende Mies te lezen.

42) Ontbokt

Klagen deed ons dwergbokje Indy nooit.
Hij leefde immers als een sjeik met een harem. Weliswaar niet zo uitgebreid als het gebruikelijk is bij de meeste sjeiks, maar met de twee Belgische dwerggeiten Jansie en Dolan, was hij aardig in zijn sas. De twee dames deden qua schoonheid niet voor elkaar onder, dus dacht Indy: verandering van spijs doet eten. Zo kwam het dat hij ze bij toerbeurt drachtig maakte. Hij kreeg twee zonen en één dochter van Dolan, die het evenbeeld waren van hun moeder. De zoon en dochter van Jansie leken precies op hem. Helaas leefden beide lammetjes van Jansie niet lang. Dat lag niet aan Indy, want zijn nakomelingen bij Dolan groeiden op tot mooie, volwassen bokjes en geitje. Er was dus iets mis met Jansie. Waarschijnlijk was haar melk niet rijk genoeg. Het verdriet wat zij had, toen zij eerst haar zoon en later ook haar dochter moest verliezen, was hartverscheurend. Luid mekkerend stond zij dan bij haar overleden kind. Ook wij bleven niet onberoerd wanneer we constateerden dat het weer helemaal mis ging met het desbetreffende lam. Diep geroerd door het verdriet van Jansie en onze eigen emoties, besloten we dat hier wat aan gedaan moest worden. Haar laten steriliseren was een ingrijpende ingreep. Dus werd er, zonder dat Indy het hoorde, besloten om hem hetzelfde lot te laten ondergaan die zijn zoons, Karel de Grote en Floris de Vijfde, al eerder hadden ervaren.

Op een ochtend stond de stumper rustig zijn hooi te eten, toen echtgenoot Mees hem bij de horens vatte. Zodoende voorkwamen wij dat we weer de zelfde vangkunsten in de stal moesten uithalen als bij zijn zoons. Brullend en tegenspartelend deponeerde Mees hem in onze bestelauto. En passant nam ik de nog complete zoon van Indy, Johan van Oldenbarneveldt, mee die ook onder het mes moest. Zo voorkwamen wij dat hij de ongewenste taak van zijn pa zou overnemen (geiten drachtig maken). Een leuke bijkomstigheid was dat wij nu kwantum korting kregen bij de veearts. Onderweg naar de slachtbank waren beide heren bijzonder stil, alsof zij aanvoelden dat er iets dramatisch met hen ging gebeuren. Wat natuurlijk ook zo was.

Toen beide “hamels” na de operatie goed wakker waren uit de narcose, kregen wij een telefoontje van de veearts dat zij opgehaald konden worden. Nog een beetje nasuffend zetten wij de slachtoffers in onze auto en ging het huiswaarts. Daar aangekomen leidden wij de patiënten naar het geitenweitje, waar ze zich rillend in het zonnetje gingen koesteren.
Johan, vier jaar jonger dan zijn pa, herstelde zeer snel van de ingreep en liep diezelfde middag alweer, met dezelfde air, met de dames te flirten. Bij Indy liep het letterlijk en figuurlijk iets anders. Als een dronken vent na een kroegentocht, liep hij waggelend en een beetje doelloos te slenteren in het weitje. Ook verstopte hij zich steeds in de ruïne, annex klimrots. Hij vertoonde het gedrag van iemand die zich enorm schaamde: hij vermeed de dames. Het is natuurlijk niet niks, als je als viriele bok wordt ontdaan van je klokkenspel. Daar komt nog bij dat Indy ook geen vrede leek te hebben met zijn nieuwe benaming. Een gecastreerde ezel wordt een “oen” genoemd, een gecastreerd paard een “ruin” en een gecastreerde man een “eunuch”. In het geval van Indy, maar ook van Johan, werd hij van bokje, nu een “hamel of “kapater”.

Het heeft maanden geduurd voordat hij eindelijk had geaccepteerd dat hij niet meer compleet was tussen zijn achterpoten. Maar toen gebeurde er iets wat hem de nekslag gaf.
Op een ochtend stonden zijn dames enorm te giechelen en naar hem te wijzen. Met zijn rechter voorpoot krabde hij zich onder zijn kin, zich afvragend waarom de geiten zo een schik hadden. Wat hij toen niet voelde, deed hem verstijven en daarna omvallen van schrik. Hij was niet alleen van achteren“kaal” geworden, maar door de hormoonverandering, ook onder zijn kin.
Zijn grootste trots, wat hem altijd een macho-uiterlijk gaf, waar hij altijd mee liep te pronken, was verdwenen, namelijk: zijn enorme sik.

43) Frisse lucht

Op het moment van dit schrijven zijn wij al bijna veertig jaar gelukkig getrouwd. Natuurlijk hebben we niet over alles dezelfde mening en smaak. Ik houd veel van lezen. Als echtgenoot Mees een boek leest, valt hij gegarandeerd in slaap. Van populair klassieke muziek zijn er slechts een handjevol werken die hij kan bewonderen, terwijl ik diep geroerd kan worden bij het beluisteren van vele klassiekers.
Een groot discussiepunt bij ons is frisse lucht in de huiskamer, terwijl het tien graden vriest. Aangezien wij beiden roken als een operationele palingrokerij, is bij ons de lucht binnenshuis soms flink verontreinigd. Om er voor te zorgen dat we elkaar door de blauwe sigarettenwalm toch nog kunnen zien, gooi ikmet de regelmaat der klok de buitendeur open. Deze handeling ziet Mees als een zware vorm van energieverspilling. Hij verwijst dan naar de aloude uitspraak dat zij niet voor die Mijnheer in de hemel de kachel hebben branden. Als ik dan ook nog met een krant in de deuropening de rook - en daarmee ook de warmte - uit de kamer probeert te verwijderen, verklaart hij mij helemaal tot warmteverspillend individu.

Een ander vertrek waar ik hoge eisen stel aan frisse lucht, is onze badkamer. Helaas zit daar geen raam in zodat frisse lucht op een kunstmatige manier aangevoerd moet worden. Als er gebruik is gemaakt van het toilet is het daar vaak onaangenaam vertoeven. Met een spuitbus is het mogelijk om die stank te verbloemen. Mees, die ook niet van parfums houdt, geeft toch liever de voorkeur aan de door de mens gefabriceerde lucht. Hij prefereert puur natuur. Voor hem geen luchtjes van lavendel of rozen uit een spuitbus.

Ook in de keuken houd ik van frisse lucht. Ik ben geen enthousiaste kokkin, daarom moet mijn verblijf in de keuken dan ook zo aangenaam mogelijk moet zijn. Het koken van spruiten, broccoli of bloemkool veroorzaakt een geur waar ik niet op zit te wachten. Daarom zet ik tijdens die bezigheid de afzuigkap in de hoogste stand. Met behulp van een opstaand keukenraam, probeer ik op die manier de kookluchtjes zo snel mogelijk te neutraliseren. Daar is Mees het niet mee eens. Hij houdt niet van een koele keuken maar wel van deze kookluchtjes; dat wekt zijn eetlust op. Daarom sloten we een compromis. De afzuigkap aan in de hoogste stand maar het raam blijft dicht.

Frisse lucht in onze slaapkamer blijft een hekel onderwerp, waar wij ook nu nog vaak over kibbelen. Dat begon al toen we pas getrouwd waren. In hun eerste huis had de slaapkamer geen verwarming. Het bed wel. Daar zorgde in de wintermaanden een elektrische deken voor. Onder de dekens bleef het tevens warm door de lichaamstemperatuur van ons, als pasgetrouwde stel. Boven de dekens lag de temperatuur dan aanzienlijk lager. Voor de toevoer van frisse lucht wilde ik het raam open hebben, al was het maar een heel klein stukje. Stevig tegen elkaar aangedrukt brachten wij in die houding de winterse nachten door. Mees vond dat een prima oplossing in die tijd.
In de daaropvolgende huizen die wijbewoonden, was de slaapkamer wel voorzien van een verwarming. Zo ook in onze huidige woonruimte. Zodoende kon de elektrische deken naar de vuilstort verhuizen. In de wintermaanden zetten wij iedere avond de verwarming aan, zodat onze slaapkamer lekker voorverwarmd is. Daarom kan ik met veel elan het slaapkamerraam een stukje open zetten. Er zit aan de buitenkant ook nog een houten luik, dus is er een indirecte toevoer van frisse lucht. Hier neemt Mees wel genoegen mee, in de veronderstelling dat ik de kachel niet uit zet. Maar de nacht in een verwarmde slaapkamer doorbrengen, is bij mij uit den boze. Iedere avond zet ik daarom de kachel voor het slapen gaan op stand nul, tot groot ongenoegen van mijn echtgenoot.

Afgelopen winter kwam het meerdere keren voor dat hij de nacht rillend had doorgebracht. Dat kwam zijn nachtrust natuurlijk niet ten goede. Na de zoveelste slapeloze, rillende nacht had hij er genoeg van.
“Het lijkt hier potdomme wel een mortuarium. Vanaf nu blijft het raam dicht als de temperatuur het vriespunt heeft bereikt”, sprak hij de volgende ochtend met verstijfde kaken.
Om de goede vrede te bewaren doe ik nu, bij temperaturen onder nul, het raam - bijna - dicht.

44) Rennen!

De meeste honden houden van rennen. Gooi een bal of tak weg en de hond gaat er als een speer achterna. Heb je een exemplaar met jachtgenen, dan neemt hij óók de benen bij het zien, ruiken of horen van “wild”. Ook fietsers of hardlopers zijn vaak voor honden erg geliefd om achterna te zitten. Dit meestal tot groot ongenoegen van die sportievelingen. Daarom is zeker het nordic-walking geïntroduceerd: de wandelaar kan de plaaggeest zonodig een oplawaai geven met zijn stok. Tevens zijn bromfietsen en auto’s vaak gewild bij deze viervoeters om te achtervolgen. Dat is de reden waarom de meesten in de bebouwde kom aangelijnd moeten lopen.

Scotty, onze vier jarige Schotse Collie, vindt het ook heerlijk om te rennen. Achter een bal of tak aan: hij vindt het prima. Wat hij ook erg opwindend vindt, is het achtervolgen van roeken of reigers. Dat is mijn eigen schuld: Ik heb hem ooit op zitten jutten toen er een roek in het gras zat te pikken. “Scotty,… roek!”,riep ik met een opruiende stem. De eerste keer dat ik dat riep, kwam hij enthousiast op mij af rennen. Het woordje “roek” heeft voor een hond immers bijna dezelfde klank als “koek”. Maar al snel had hij door dat een roek een heerlijk object is om achter aan te rennen, in tegenstelling tot koek, dat altijd uit de hand gegeten kan worden. Ook reigers achterna zitten doet hij met veel plezier. Als hij zo’n vogel behoedzaam nadert, vliegt het beest pas op het laatste moment weg, zodat ik soms bang ben dat Scotty hem in zijn bek neemt. De reiger, ook niet achterlijk, laat zich natuurlijk niet vangen.

Toen Scotty ongeveer één jaar oud was ontdekte hij nog een ding wat hij eindeloos kon volgen: de trein. Dat klinkt misschien eng, maar is het niet. Het weiland waar hij altijd rent, ligt drie meter dieper dan de spoorbaan. De rails is onbereikbaar voor mens en dier, door een afzetting van prikkeldraad en zware, natuurlijke begroeiingen. Toch stonden wij doodsangsten uit toen hij voor de eerste keer met de trein mee ging rennen. Om geen hartklachten te krijgen vermeden wij daarom in eerste instantie om de “uitlaattijd” samen te laten vallen met een treinpassage. Dat was eenvoudig, want er rijden daar slechts twee treinen per uur.
Toen wij echter door hadden dat Scotty nooit en te nimmer op de rails kon komen, pasten we een andere tactiek toe. Het wandelen plannen wij nu zodanig dat hij juist wél met de twee treinen mee kan rennen. En dat bezorgt hem tot op de dag van vandaag heel veel genoegen. Zodra er een trein in aantocht is brul ik: Scotty,…trein!”en wroets, weg issie. Heeft de trein hem gepasseerd, dan komt hij uitgelaten en vrolijk op ons toegesneld. Ik moest nog wel aan mijn uitspraak van het woordje “trein” te sleutelen. De klank leek voor hem teveel op “reiger”. Zodoende kan je mij horen brullen op z’n Amsterdams (reiger) of volgens het Algemeen Beschaafd Nederlands (trein). Wel dient opgemerkt te worden dat ik zelden in het ABN hoeft te schreeuwen: hij is meestal de eerste die de trein hoort aankomen.

Soms gebeurt het dat Scotty de treinen mist. Dan hebben wij te lang gewacht met uitlaten of waren juist veel te vroeg. Omdat hij niet kan klokkijken, blijft hij toch alert op de treingeluiden. Komen ze écht niet, dan vertoont hij tekenen van frustraties. Met hangende schouders en een verdrietige blik in zijn ogen vervolgt hij  zijn plasroute. Wij nemen ons dan voor om beter op de tijd te letten. Een andere reden waarom hij geen trein achterna kan zitten heeft als oorzaak waar wij echt niets aan kunnen doen en valt onder de categorie “Overmacht”.
Wachten op de bus, tram metro of trein is iets wat geen mens leuk vindt. Helaas komen vertragingen in die sector maar al te vaak voor. Ook Scotty vindt dat niets. Met gespitste oren loopt hij kleine stukjes heen en weer te rennen, in de hoop dat er toch nog een trein komt. Wij vertragen dan onze pas om zijn genoegen niet te ontnemen en bidden dat de trein alsnog voorbij komt razen. Soms hebben we geluk en - te laat - passeert hij alsnog. Jammer genoeg is ons getreuzel dikwijls voor niets. Hevig teleurgesteld loopt hij dan mee terug naar huis.
Ook stakingen van het treinpersoneel kunnen zijn pret behoorlijk drukken. Het voordeel voor ons is dat wij wel op de hoogte zijn van de afwezige treinen en langzaam lopen dus geen zin heeft. Er komt toch niets.

45) Buitenlandse berichtgevingen

Indien je als ouders zijnde je vaderland achter je hebt gelaten en daarmee ook je kinderen, worden belangrijke nieuwtjes meestal telefonisch uitgewisseld. Zo werkt dat ook bij ons. Soms zijn het droevige mededelingen, maar gelukkig vieren de vrolijke berichten de boventoon. Zo ook die keer, dat ik in oktober 2006 mijn jongste, Bas aan de telefoon kreeg. Tijdens het geklets over koetjes, kalfjes en andere dieren, merkte ik dat hij anders babbelde dan normaal. Ik vroeg hem of alles wel in orde was, waarop hij aarzelend antwoordde: “Jullie worden opa en oma.”
“Nee hè, hebben jullie weer een nieuwe kat?” vroeg ik verbijsterd - wij zijn namelijk al “oma en opa” van honden, katten, paarden, vogels en vissen. Bas herhaalde de boodschap, mét de aanvullende opheldering dat hij en zijn vrouw Anja in mei 2007 een mensenbaby zouden verwachten. Het bleef doodstil aan beide zijden van de lijn, wat zeer uitzonderlijk was. Wij hebben namelijk altijd wel ons woordje klaar. Met veel moeite kon ik na enkele seconden uitbrengen dat ik het geweldig nieuws vond. Toch merkte Bas aan mijn stem dat ik totaal van de leg was. Na nog wat héén en weer geklets, beëindigden wij het gesprek.

Verwonderd vertelde ik aan echtgenoot Mees wat ik te horen had gekregen. Ook zijn mond viel open waardoor hij geruime tijd sprakeloos was. Wij hadden nooit gedacht dat we ooit oma en opa zouden worden van kleinkinderen. Plotseling drong het tot mij door dat ik wel heel tam had gereageerd op dit nieuws. Die reactie had Bas waarschijnlijk van mij niet verwacht.
Toen ik bekomen was van de doorstane emotie belde ik Bas weer terug. Ik merkte aan zijn stem dat hij teleurgesteld was door mijn reactie, maar toen ik hem uitlegde hoe het nieuws als een complete verrassing op mij was overgekomen, klonk zijn stem weer zoals hij altijd klinkt: vrolijk. Ook bood ik mijn excuses aan, omdat ik helemaal niet naar het welzijn van schoondochter Anja had geïnformeerd, terwijl zij toch het lijdend voorwerp is in deze gebeurtenis. Hij overhandigde vlug de telefoon aan de aanstaande moeder en we klepten er langdurig en met veel gelach op los.
Na enige tijd vroeg ik de vader in spé weer aan de telefoon. Ik wilde hem toch nog even spreken omdat ik gemerkt had dat hij nog ergens mee zat. (moeder eigen) Hij vertelde dat hij niet zeker had geweten of wij wel achter de zwangerschap zouden staan. Het liet hem koud hoe anderen er over dachten, maar de mening van zijn ouders interesseerde het hem wel degelijk. Symbolisch gaf ik hem een klap op zijn kop en vertelde hem dat ik, samen met zijn pa, het geweldige nieuws even tot ons door had moeten laten dringen.
“Trouwens, het is jullie leven, jullie beslissing en jullie toekomst. Daar heeft geen mens wat mee te maken”, wreef ik hem nog even nadrukkelijk in. Ik merkte aan zijn opgeluchte reactie dat ik de juiste woorden had gezegd.

Een paar dagen later kreeg ik van Bas en Anja te horen hoe zij er tegenop hadden gezien om de zwangerschap bekend te maken aan hun respectievelijke ouders. Ze hadden zelfs getost, wie er het eerst moest bellen en Bas had “verloren”. Doordat ik in eerste instantie zo tam had gereageerd, was de moed al bij Anja in haar schoenen gezonken. Zij wilde het eerst nog een dag uitstellen om het nieuws aan haar ouders te vertellen, wat ze gelukkig niet heeft gedaan.

Eenmaal gewend aan het idee dat ik oma zou worden, sloeg de angst mij om het hart. Moest ik mij nu anders gaan gedragen en kleden? Door velen werd mij verzekerd dat de tijd, dat oma’s tuttig gekleed zouden moeten gaan, verleden tijd is. Dat was een hele geruststelling voor mij: ik kon gewoon blijven lopen in mijn spijkerbroek en op mijn gympen. Wel moest ik de tijd nog door zien te komen totdat mijn eerste kleinkind geboren zou worden. Omdat mijn breikunst abominabel was, gaf ik me op voor een breicursus. Het eerste kindje van mijn zoon moest en zou gekleed gaan in zelfgebreide truitjes met mouwen van dezelfde lengte. Bloed, zweet, tranen en vijf maanden heeft het me gekost om één simpel truitje te breien. Bij dat ene truitje is het dan ook gebleven en werd ingelijst door Bas, als herinnering aan mijn inspanning.
Er restten mij nog twee breiloze maanden van wachten en nagelbijten totdat ik de buitenlandse berichtgeving zou ontvangen dat de baby geboren was.

46) Spannende vakantie

Als je tegenwoordig aan iemand zijn vakantiebestemming vraagt, krijg je vaak als antwoord: Drie weken Canada!, Vier weken Florida!, Twee maanden Australië! of nog verder weg. Die vakanties worden meestal doorgebracht met grote stedentrips, luierend in de zon, avontuurlijke trektochten of safaris. Voor mij ligt dat iets anders. Ik koos een andere bestemming én tijdsduur om met vakantie te gaan. In mei 2007 ging ik twee-en-een-halve dag naar Almere. Spannend hoor”, zal menigeen nu denken. Voor mij was het dat wel. Na zeven maanden nagelbijten en breien, had ik Bas, mijn jongste, een dag eerder aan de telefoon gehad. Hij had snotterend geprobeerd het grote nieuws te melden dat hij vader en ik oma was geworden. Veel werd er niet tegen elkaar gezegd, het was meer een jankdialoog.

Op het station van Almere-Muziekwijk aangekomen, struikelde ik de trein uit, liet mijn tas naast me neer ploffen en liep regelrecht in de armen van mijn zoon. Enig dweilwerk van de stationsschoonmaker was nodig in verband met zoutwater neerslag. Tissue nummer één werd gebruikt.
Het eerste spannende moment voor mij was toen ik voor het eerst mijn kleinzoon zag. Dat deed me, geheel tegen mijn gewoonte in, voor zeker vijf minuten de mond snoeren. Om mijn gezicht te drogen en mijn neus te snuiten, gebruikte ik tissue nummer twee, drie en vier. De rest van de dag bracht ik grotendeels starend en stilzwijgend door, mijn blik gericht op dat kleine manneke, dat de naam Thomas had gekregen van zijn ouders.

De tweede enerverende gebeurtenis van die dag vond plaats toen mijn middelste kind Lisa, mij kwam ophalen om bij haar de nacht door te brengen. (Bas had door zijn gezinsuitbreiding voor mij geen plaats meer in huis). Lisa keek haar ogen uit toen zij Thomas zag en complimenteerde haar broertje met het vakkundig afgeleverde product. Ook zij moest een greep naar de doos papieren zakdoekjes doen.
Eenmaal b
ij Lisa thuis kletsten we nog lang en uitbundig bij en op een tijdstip dat de meeste Hollanders en Belgen al uren op één oor liggen, zochten wij ons bed op.

De volgende morgen bleek dat Lisa en ik nog lang niet uitgekletst waren. Dat bracht oververmoeidheid van de oren van Lisas partner André, teweeg. Om hem én zijn oren wat rust te gunnen, bracht Lisa mij weer naar de nieuwbakken ouders, waar zij Thomas opnieuw met haar ogen verslond.

De derde zinderende gelegenheid was toen mijn oudste kind Vera, en haar partner Peter, de pasgeborene kwamen bewonderen. Ook Vera wist niet wat zij zag, gebruikte enige zakdoekjes en nam wat onwennig Thomas in haar armen, wat haar bijzonder goed stond. Toen Peter ook nog een flesje aan de kleine man gaf, was het plaatje letterlijk en figuurlijk compleet.

Het vierde opwindende gebeuren, beleefde ik toen ik Thomas een schone luier mocht geven. Na veel gehannes en gestuntel kreeg ik het minidingetje om zijn billetjes. Hem de fles geven gaf minder problemen en na een fikse boer en veel geknuffel legde ik hem weer in zijn wieg.

Mijn vijfde meeslepende belevenis in die vakantie vond plaats toen ik met Lisa en André in Almere ging winkelen. Normaal is dat voor mij een hel, maar omdat er kleertjes gekocht moesten worden voor Thomas, die alleen maar heel kleine kleertjes in zijn kast had liggen, togen wij naar Het Centrum Van Almere. Bij C&A binnengestapt, gingen wij gedreven naar de babyafdeling, die we in zeer korte tijd leegplunderden. Beladen met kleertjes kwamen we bij de kersverse ouders aan en kon André ook de nakomeling van Bas en Anja bewonderen.

Het zesde avontuurlijke ogenblik viel mij ten deel toen Thomas voor het eerst een kwartiertje naar buiten mocht. Nadat ik hem had aangekleed, had ik de primeur om voor het eerst met mijn kleinzoon naar buiten te gaan. Stilletjes hoopte ik dat ik veel mensen zou tegenkomen die dan bewonderend riepen: Oh, wat issie mooi! Dat vond ook inderdaad vele malen plaats.
Maar ja, aan iedere vakantie komt een einde. Dus ook aan mijn spannende vakantie. Ik had er wel voor gezorgd dat de aandelen van Kleenex in twee dagen tijd een sprong hadden gemaakt van +100%. Tevens had men tijdens mijn aanwezigheid in de Flevopolder, alarmfase rood afgekondigd vanwege het hoge zoutwaterpeil.

Nog lang na mijn thuiskomst zat ik, nagenietend van alle enerverende momenten, op mijn blauwe wolkje met een overdosis aan adrenaline. Dat had tot gevolg dat ik met een stompzinnige grijns op mijn gezicht boven mijn dorp zweefde. De klap kwam voor mij hard aan toen er, vanwege een hogedrukgebied, geen wolken meer waren en ik met een dreun op de aardse realiteit knalde.

47) Ontspoorde zoon

Haar eerste kind, ach daar zat ze niet echt op te wachten. Daarom gaf zij tijdens de bevalling er al snel de brui aan. Maar dat zij niet met een half uitgedreven zoon de rest van haar leven moest slijten, was te danken aan de interventie van een medicus. Ook het eerste half uur na de bevalling moest zij niets van hem weten. Dat zij hem op het laatst toch accepteerde kwam omdat zij niets anders kon: zij zat met hem opgesloten in een kleine ruimte. Zodoende kon ze hem niet ontwijken als hij wilde eten.
Toen zij eindelijk besefte dat zij toch niet meer van hem af kon komen, deed zij haar uiterste best om haar tekortkomingen tijdens en vlak na de bevalling, te compenseren. Zij deed dat met veel verve en overgave. Voortdurend hield ze haar zoon in de gaten, zodat hem niets kon overkomen. Als hij honger had liet zij hem eten en als er iemand te dicht bij hem in de buurt kwam, ging zij voor haar zoon staan om hem te beschermen. Het werd een lief, aanhankelijk kind en had ook veel respect voor zijn vader.

Nadat hij op de leeftijd van vijf maanden geopereerd was, werd hij zelfs een beetje een watje. Zijn baardgroei bleef achterwege wat hem het uiterlijk gaf van een vrouwspersoon. Zelf had hij daar geen moeite mee. Wel besefte hij dat er door de vrouwen niet naar hem omgekeken werd.
Maanden later onderging zijn pa dezelfde operatie. Die had wel veel moeite met het vervrouwelijken van zijn uiterlijk. Zijn enorme sik was immers verdwenen. Een groot minderwaardigheidsgevoel deed bij zijn pa zijn intrede. En toen greep zoonlief zijn kans.

De traumatische ervaring uit zijn jeugd - het afwijzende gedrag van zijn moeder, tijdens en vlak na zijn geboorte - stak bij hem in volle glorie de kop op.
Dat uitte zich in eerste instantie door zich af te zetten tegenover zijn ouders. Toen zij daar danig van onder de indruk raakten, kwam ook de rest van de gemeenschap aan de beurt. Niemand had meer een deel van leven. Vooral binnenshuis liet hij zijn gedrag gelden. Iedereen die in de buurt van zijn eten kwam, kon rekenen op een flinke optater. Zijn tolerantiegrens lag zeer laag. Zelfs de dames accepteerde hij niet in zijn buurt tijdens het eten. Hij was zodoende een zeer ongezellige tafelgenoot aan het worden. Maar ook buiten de maaltijden om werd hij onaangenaam. Zijn dominante gedrag werd door iedereen gedoogd, maar niet in dank afgenomen.

Toen zijn doen en laten vormen ging aannemen dat te vergelijken is met terroristisch en autoritair gedrag en hij ook nog gewelddadig werd, was de maat vol.
Jeugdzorg werd ingeschakeld en op last van de jeugdrechter werd beslist dat uithuisplaatsing de beste optie was. Voor iedereen. Er werd naarstig naar een pleeggezin gezocht, wat geen makkelijke opgave was. Niemand zat te wachten op een getraumatiseerde en daardoor onhandelbare jongen. Er werd daarom besloten om hem voorlopig in een gesloten inrichting te plaatsen. Misschien dat heropvoeding nog iets kon veranderen aan zijn manier van handelen.

De uithuisplaatsing van haar zoon deed de moeder veel verdriet. Zij werd verteerd door schuldgevoelens. Zodoende stortte zij zich volledig op de verzorging en opvoeding van haar tweede zoon. Zij had van haar afwijzende houding bij haar eerste zoon, veel geleerd. Dit kind kreeg vanaf de eerste wee de volledige aandacht en verzorging die zo’n kleintje nodig heeft. Zij wilde graag dat deze nakomeling kon opgroeien tot een waardig lid van hun gemeenschap. Waarin zij ook is geslaagd.
Enkele weken na de geboorte van haar tweede kindje vernam zij via via, dat haar zoon na verloop van tijd, liefdevol was opgenomen in een pleeggezin, zonder andere kinderen.
En nu leeft Floris de Vijfde, het eerste lammetje van het bruinwitte Belgische geitje Dolan, als een gelukkige en ontspannen dwergbok, zonder dat hij zich tegenover wie dan ook moet bewijzen.

48) Lang en steil

Als je een bezoekje aan ons wilt brengen, denk dan aan het motto: “Bezint eer ge begint”.
Ons toegangshek is vanuit twee richtingen te benaderen, maar niet één daarvan is te begaan zonder een flinke klimpartij vooraf. Dat hek staat gelukkig op een redelijk vlak stukje grond, er is dus gelegenheid om even op adem te komen. Maar dan doemt er voor je gezichtsveld een oprijlaan op van ruim dertig meter met een hellingspercentage van om en nabij de twintig procent. Dit alles in ogenschouw genomen, doet sommigen besluiten om het geplande bezoekje aan ons maar te vergeten. Dat heeft als consequentie dat er bij ons weinig buren langs komen om koffie te leuten of andere tijdrovende, onbenulligheden met ons te willen doen. Wel zo rustig dus. Enkele dappere bezoekers, die de klim aandurfden, waren toch gefrustreerd als zij hijgend de lange, steile klim overwonnen hadden: er moesten nog zeventien traptreden beklommen worden, eer de voordeur was bereikt.

Wij raakten al snel gewend om de oprit en de trap te beklimmen. Zodoende hadden wij al vlug bil- en beenspieren ontwikkeld gelijk een sporter die verslaafd is aan anabole steroïden. De oude Siberische Husky’s, Dame Kaya en Heer Iwan, ondervonden evenwel problemen om bij de voordeur te geraken. Met veel gesteun en gekreun lukten het hun nog net om omhoog te klauteren. De trap zelf was dan het laatste obstakel. De zeventien treden die hun nog wachtten, vergden het uiterste van hun krachten. Hoewel wij vroeger de trap op werden gesleurd, nu moesten wij de honden omhoog helpen. Het zou niet lang meer duren of wij zagen ons genoodzaakt de honden de trap op te dragen.

Aangezien de toerit tot ons huis voorheen nogal leek op een landkaart in reliëf, veroorzaakt door oud en versleten beton, besloten wij die te verfraaien met een nieuwe asfaltlaag. Die zag er na de renovatie dan ook mooi en vooral glad uit.
Een enkele keer werd er een poging gedaan om de oprit per fiets te bestijgen, maar dat was voor bijna iedereen een onmogelijke opgave. Tot op de dag van vandaag heeft slechts dochter Lisa deze prestatie kunnen leveren. Haar zus heeft ook nog een poging ondernomen, maar al snel ging zij met fiets en al weer achterwaarts naar beneden. Het afdalen per fiets was een levensgevaarlijke onderneming, die dan ook door niemand is uitgeprobeerd. Ook met een rollator bleek de afdaling een hachelijke actie te zijn. Toen mijn pa dat wilde uitproberen, kon ik hem nog net op tijd bij zijn voeten grijpen om te voorkomen dat hij, met rollator en al, naar beneden suisde.

Spannend werd het pas in de winter. Als het had gesneeuwd stond echtgenoot Mees te juichen! De sneeuwschuiver werd fluitend van stal gehaald en hij kon aan zijn ochtendgymnastiek beginnen. Als de auto die dag niet gebruikt werd, volstond een sneeuwvrij looppad, in tegenstelling tot als de auto wél gebruikt moest worden. Dan moest een sneeuwvrij pad worden geschoven van drie en een halve meter. Om daarvoor in conditie te blijven veegde Mees dagelijks, in de zomermaanden, de oprijlaan. Bij nattigheid én vorst, had je de poppen aan het dansen: kilo’s strooizout vonden hun weg op het asfalt. Wij hielden niet meer zo van glijbaantje glijden.
Soms gebeurde het dat de gladheid erger was dan het leek. Toen schoonzoon Peter op een ochtend bij ons zijn hondjes wilde uitlaten, gebeurde er iets waardoor de schrik hem eerst om zijn hart sloeg, maar hem later deed uitbarsten in een klaterende schaterlach: zijn kleine Sheltie wist niet goed om te gaan met de gladheid en al zittend gleed zij op het hek af. Maar zeker niet dom, trok het beestje op het laatste moment haar koppie in en zoefde onder het hek door. Minder alert was Scotty, onze Schotse Collie. Toen hij op een gladde avond een schuiver nam, knalde hij lomp tegen het hek aan. Zijn kop intrekken had toch weinig zin gehad, hij had er niet onder door kunnen glijden. Zelf deden wij het anders als de oprit was veranderd in een ijsbaan. Op onze hurken zittend, klampten wij ons vast aan een laag muurtje en lieten ons rustig het laatste stukje naar beneden glijden. Zouden we toch onderuit gaan dan was de afstand hoofd tot asfalt aanzienlijk kleiner en zou de klap minder hard aankomen. Natuurlijk moest er bij thuiskomst weer geklommen worden. Als we één meter waren gestegen, gleden we weer twee meter naar beneden. Dat had tot gevolg dat ons naar-bed-gaan-tijd vele uren later werdt dan onder normale omstandigheden.

Uit bovenstaande gebeurtenissen blijkt dat het een nadeel kan zijn als je van het vlakke polderland naar de heuvels van de Ardennen verhuist, hoewel wij dat niet als zodanig ervaren. In tegendeel. Momenteel hebben wij nog geen problemen ondervonden bij het klimmen. Dat zal wel anders worden als we oud en stijf zijn. Een elektrische rolstoel is geen optie, daarvoor is het hellingspercentage te hoog. Mees ziet wel wat in een soort sleeplift, die ook door skiërs wordt gebruikt. Een andere optie is een traplift. In een gezapig tempo kunnen we dan omhoog. Of nog beter, een tandradtreintje. Maar dat alles gaat elektrisch (slecht voor het milieu) en stroomstoringen komen bij ons maar al te vaak voor. Voorlopig denken we dat de zitmaaier nog de beste optie is om ons tegen die tijd omhoog te hijsen. De honden en ik kunnen dan in het aanhangertje plaatsnemen en in een rustig tempo zal de klim plaats kunnen vinden. Er resten ons dan nog wel de zeventien traptreden, maar ach, we hebben dan toch tijd genoeg!

49) Hangjongeren

Nu de dagen weer gaan lengen, kijkt bijna iedereen uit naar het voorjaar. De jongeren komen dan weer uit hun grot tevoorschijn. Eerst wat schuchter, alsof ze net uit hun winterslaap ontwaken. Je ziet ze met stoere mountainbikes, hippe skateboards of coole bromfietsen. Ze zijn nooit alleen. Een zichzelf respecterende groep telt toch minimaal vier personen. Beide geslachten zijn vertegenwoordigd, dat houdt het spannend. Zo blijft ook de mogelijkheid open om te flirten en om vrijages in de praktijk te brengen. Soms voeren ze zware discussies over alles wat hen bezighoudt. Het onderwerp school is een geliefd onderwerp, maar ook ouders en relaties komen natuurlijk aan bod. Er heerst ook een duidelijke hiërarchie, die gerespecteerd wordt. Hun aanwezigheid wordt echter niet altijd door iedereen op prijs gesteld. Dat komt waarschijnlijk omdat het altijd goed te horen is dat zij er zijn. Is het geen bromfiets die met gierende motor geluidsoverlast veroorzaakt, dan is het wel een radio die muziek ten gehore brengt. Menig groepje wordt daarom uiteengedreven door de komst van de opgeroepen politie.

Ook wij hebben regelmatig last van hangjongeren. De groep bestaat uit twee heren en drie dames. Na een lange, koude winter zie je ze, als de temperatuur gaat oplopen, meer buiten vertoeven. Vol verwachting duiken ze het voorjaar in. Gelukkig hebben zij geen mountainbikes, skateboards of bromfietsen. Ze rennen elkaar achterna of houden schijngevechten. Het flirten en de vrijages ontbreken ook niet bij dit ensemble. De dames ondergaan dat allemaal gelaten in de hoop dat één van hen als favoriet wordt erkend. Bang om ongewenste zwanger te worden, speelt niet bij de dames. Zij weten dat de heren niet in staat zijn om nog voor nakomelingen te zorgen. Ze kunnen er dus vrijelijk op los vrijen. Zware discussies worden ook niet gevoerd. De bendeleden lijken tevreden met hun bestaan. Slechts als één van de dames last heeft van haar maandelijkse stonde, hoor je haar wel mopperen. Ook de heren kunnen dan behoorlijk luidruchtig zijn. Ze lopen al kwakend en keffend achter de desbetreffende dame aan.

Wat de hiërarchie betreft: er is een eeuwige strijd gaande. De twee heren zitten voortdurend in de knoop en liggen overhoop met elkaar. Als de jongste weer aan één van zijn ledematen wordt vastgehouden, stijgt er een luid gebrul op wat onze drie honden tot opperste hysterie drijft. Menigmaal hebben wij de vechtersbazen uit elkaar moeten plukken. Gelukkig is nooit één van de vechtjassen gewond geraakt. Maar ook de dames kunnen behoorlijk met elkaar in de clinch gaan. Dit is echter alleen om indruk op de heren te maken.
Mechanische herrie is hun onbekend. Er is wel altijd een vast tijdstip dat zij grondig van zich laten horen. Ze hebben dan honger. Luidkeels laten zij horen dat het tijd is om hun magen te vullen. Is hun eetlust eenmaal gestild dan druipen zij af om hun eten rustig te laten verteren.

Toch komt het wel eens voor dat buurtbewoners het gezelschap uiteen drijft. Die rennen dan in volle draf op het clubje af om hun ongenoegen en irritatie kenbaar te maken. Maar de groep is zeer snel en behendig. Omdat zij geen hoogtevrees kennen, vluchten zij dikwijls op een klimrots die de geïrriteerde aanwezigen met geen mogelijkheid kunnen beklimmen. De bende staat dan triomfantelijk omlaag te staren. Hun verblijf op die rots is vaak van lange duur, want de andere bewoners, die hen verjaagd hebben, kunnen minuten lang doodstil staan en hebben een ijzig geduld.

Zo kan het dus gebeuren dat men bij ons vijf geiten op de klimrots ziet staan, gadegeslagen door twee dwergezels die het opgejaagde groepje bijna van de rots afkijken. Het is voor ons altijd weer spannend om te zien wie zich het eerste terugtrekt. Meestal zijn dat de ezels, doordat een gebeurtenis in hun omgeving spannender is dan de vijf geiten. Die gebruiken dat moment om van de rots te springen en verder te gaan met hun dagelijkse beslommeringen. Net als wij.

50) Modelspoorbaan uitgebreid

In de wintermaanden brengt echtgenoot Mees zijn meeste vrije tijd door in de "treinenkamer". Daar is hij dan druk aan het werk met zijn modelspoorbaan. Tot op een dag het uitbreiden, wegens ruimtegebrek, een halt moest worden toegeroepen. Zijn treintjes reden immers al bijna door de keuken. Om alles op de gevoelige digitale filmplaat vast te leggen, wierp hij zich op het filmen van zijn imposante bouwkunst. De vele opnames monteerde hij met een filmbewerkingprogramma op de computer. Dat impliceerde dat ik vaak het veld moest ruimen om plaats voor Mees te maken. Toen ook het filmen klaar was, zat hij een beetje treurig voor zich uit te staren. Hij had binnen niets meer te doen. Ik beging de fout hem aan te sporen om eens een forum te bezoeken, die tips verschafte om op efficiënte wijze een modelspoorbaan uit te breiden. Al snel zag ik zijn ogen groter worden en hoorde aan zijn ademhaling dat hij een staat van opperste euforie bereikte.
Binnen de kortst mogelijke tijd had hij de auto, vergezeld van de aanhanger, uit de garage gereden. Het hek, aan het einde van de lange, steile oprijlaan, stond nog open en met een vaartje van een kilometer of tachtig scheurde hij weg, mij verbijsterend achterlatend.

Vier uur later hoorde ik hem weer thuiskomen. De aanhanger was afgeladen met allerhande bouwmateriaal, variërend van planken en gips tot betonijzer. Mijn angstige voorgevoel werd bewaarheid: Mees ging zijn modelspoorbaan toch verder uitbreiden. Voordat hij de gekochte spullen in de garage ging opslaan, surfte hij eerst even naar zijn favoriete site voor modelbouwers, om daar een order te plaatsen ter waarde van een bovenmodaal maandinkomen. Daarna bezocht hij en passant “Kapaza” en “Marktplaats”, waarop hij twee dwerg-ezelinnen, drie dwerggeiten en twee gecastreerde dwergbokjes te koop aanbood. Hij had immers ruimte, maar ook dringend geld nodig voor zijn plannen.
Binnen vijf dagen waren de dieren verkocht en de stallen gereinigd. Mees maakte eerst een gat in de buitenmuur van de keuken en van daaruit een wind- en waterdichte toegang naar de stallen. In de ezelstal zou Alaska komen en Canada in het geitenverblijf. Dit alles op schaal H0, wat gelijk staat als 1:87.

Voor Alaska maakte hij onder meer de Mount McKinley (6196 m), de hoogste berg in de Verenigde Staten, compleet met zijn vijf gletsjers. Hij plaatste daar uiteraard bergbeklimmers op. Men kan Hudson Stuck ontdekken, die de leiding had van de eerste officiële beklimming van deze reus in 1913. Ook Barbara Washburn ontbreekt niet bij de klimmers. Zij was de eerste vrouw die in 1947 de top bereikte. Het Wonder Lake, dat aan de voet van deze gigant ligt, kreeg ook een plekje in zijn landschap. Hij vindt treintjes laten rijden erg leuk, maar dan wel in een zo getrouw mogelijk decor.
Ook imiteerde hij de beroemde/beruchte Iditarod Trail Sled Dog Race. Dit is een jaarlijks terugkerende sledehondenrace in Alaska. De race start op de eerste zaterdag van maart in Anchorage. Afhankelijk of het een even of oneven jaar is, wordt de noordelijke route (1790 km) of de zuidelijke route (1820 km) gelopen. Niet alleen is de lengte een uitdaging, ook de kou (een gevoelstemperatuur van -75 C is niet vreemd) en het weer (sneeuwstormen, te veel sneeuw, te weinig sneeuw, etc.) kunnen het knap lastig maken. Op die scène van Mees ontbrak uiteraard Libby Riddles niet tussen al die deelnemers. Zij won in 1985 als eerste
vrouw deze zware race.
Natuurlijk kwam er ook rails te liggen. Hij maakte op schaal het traject dat van Skagway naar het Lake Bennet loopt, om zich bij Carcross af te splitsen naar White Horse. Op deze reis passeert men ook nog de White Pass. Deze route is beroemd geworden door de goldrush in Klondike. Het was toen de meest noordelijkste spoorlijn van het westelijk halfrond.
Mees had ondertussen de hand kunnen leggen op een diesellocomotief van de Alaska Railroad Corporation en werd de trotse eigenaar van de Engine Number 4323. Deze trok drie wagons met de klinkende namen: Lake Morrow, Lake Summit en Lake Kathleen.
In de zomermaanden rijdt voor de toeristen een stoomlocomotief, die drie wagons met zich meetrekt van Skagway naar Lake Bennet. Mees kwam in het bezit Engine Nr. 73, een Baldwin stoomlocomotief uit 1947, met twee wagons en kon zodoende ook dit evenement imiteren.

Nadat Alaska helemaal naar zijn zin was, ging Mees zich toeleggen op Canada.
Hij beperkte zich tot de provincie Québec. Montréal ligt op een sikkelvormig eiland in de Saint Lawrence rivier. Hij vond het een grote uitdaging om juist deze stad, op schaal, gedeeltelijk na te maken. Hij legde de vijf stranden aan rondom het eiland, compleet met badgasten en watersporters. Tevens bouwde hij de beroemde Jacques Cartierbrug na, evenals het Parc de la Chute-Montmorency met zijn waterval. Natuurlijk mocht ook de Notre-Dame de Québec Basilica-Cathedral niet ontbreken.
Het spoorwegennet in Canada is behoorlijk uitgebreid, dus Mees moest een keuze maken. Hij kocht Engine 8835, een diesellocomotief van de Canadian Pacific Railroads en imiteerde met tien wagons de Holiday Train. Deze, met duizenden lichtjes versierde trein, doet sinds 1999 ieder jaar vanaf eind november tot half december de provincies Québec, Ontario, Manitoba, Alberta, Saskatchewan en British Columbia aan. De bemanning zamelt geld en voedsel in voor armlastigen om toch fijne feestdagen te hebben.
Natuurlijk moest er ook een stoomlocomotief rijden. Na lang zoeken vond hij de kolengestookte stoomlocomotief Engine No.46 van de Canadian National Railway. Met wat authentiek aandoende wagons erachter, was het plaatje compleet.

Toen Mees volledig tevreden zijn uitbreiding bekeek, hoorde hij ergens in de verte het gemekker van geiten en het balken van ezels. Wild weggerukt uit zijn slaap besefte hij dat niets was wat het leek: hij moest zijn bed uit om onze dieren eten te geven.
Overmand door spijtgevoelens drong het tot hem door dat Alaska en Canada slechts in zijn droom door hem waren gerealiseerd.

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

24.08 | 16:43

Wat een mooie profielfoto!

...
21.04 | 08:57

Geweldige informatie voor een oma die low budget voor haar kleinzoon een kleine modelbaan wil bouwen. hartelijke dank

...
26.12 | 06:15

ik schreef al in jullie gastenboek, dat dit de mooiste baan is, die ik ooit heb gezien. Hou me op de hoogte van nieuwigheden !

...
22.09 | 18:36

Hallo Stella, Jannie en Kick, Lang geleden he? Maar plotseling dacht ik aan jullie toen ik op de verhalensite kwam. Ik genoot weer van je. Groet Cojo,

...
Je vindt deze pagina leuk